Het is aan een gepensioneerde die 40 jaar premie heeft betaald niet uit te leggen dat er te weinig geld is om te indexeren.

Dat zei Martin van Rooijen dinsdag 14 maart tijdens het Groot Nederlands Rentedebat in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Van Rooijen is nu Eerste Kamerlid voor 50PLUS en staat als nummer 3 op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. In Utrrecht debatteerde hij met onder anderen Benne van Popta, werkgeversvoorzitter PMT.

Hieronder staat de tekst die van Rooijen uitsprak.

Een goede rekenrente weerspiegelt op prudente wijze het verwachte rendement van een pensioenfonds. In de huidige praktijk is die prudentie overdreven: een risicovrije rente toegepast op een liquidatiebalans miskent een aantal zaken: continuïteit, kasstroommanagement en samenstelling van het vermogen. Bij de berekening van de premie wordt daar wel rekening mee gehouden.

Een verwacht rendement is moeilijk vast te stellen maar als we bij de premievaststelling wel uitgaan van de divers samengestelde beleggingsportefeuille, waarom doen we dat dan niet bij de berekening van de dekkingsgraad?

Het is niet uit te leggen aan een gepensioneerde die 40 jaar premie heeft betaald, uitgaande van een verwacht rendement van 4% en wiens pensioenfonds gemiddeld over die periode 8% rendement heeft gemaakt, dat er te weinig geld is om te indexeren.

Op dit moment worden de vermogens die zo zijn opgebouwd, in kas gehouden omdat we verwachten dat in de komende jaren het gemiddeld rendement zal dalen van 8% naar 1,3%. De waarheid moet in het midden liggen.

De huidige rekenrente voor de premies is iets onder de 3%. Dat zou zonder gevaar ook kunnen worden toegepast bij de berekening van de dekkingsgraad. Want laten we wel wezen: bij een rente van 1,3% zijn de dekkingsgraden van grote pensioenfondsen tussen de 95% en 100%. Dat is goed nieuws, want dat betekent dat bij een rendement van 2% diezelfde pensioenfondsen voldoen aan de minimaal vereiste dekkingsgraad.

In het initiatief wetsvoorstel van Henk Krol van 9 maart onder nummer 34606 is een tijdelijke bodemrente voorgesteld van 2% zolang de ECB de geldkraan openhoudt.

Het CPB  heeft eerder  in zijn berekeningen aangegeven dat  een tijdelijke bodemrente van 5 jaar generatieneutraal is: plus of min 1%. Mede naar aanleiding van een  kritische opmerking van de Raad van State op tijdelijk zonder termijn  is de termijn van 5 jaar alsnog opgenomen. Zo  is er steun  van de Raad en het CPB. 

In het voorstel wordt ook verwezen naar de initiatiefnota van Kamerlid Omtzigt waarin wordt aangegeven dat  zuiver door  het ECB-beleid  sprake is van een rente daling van  0,3 tot 0,7%.

Ik citeer de heer Van Popta uit een  interview in de Telegraaf van 13 februari: Daarom moet  er gecorrigeerd worden. Houd je  deze rente  dan beloon je de jongeren en  benadeel je de ouderen. Als dat ECB- effect 0,5 % is  en je zou die  er tijdelijk bij doen ,dan wordt  onze rekenrente ruim 2%, stijgt de dekkingsgraad met  6 procentpunten en komen we zo  op zo’n 105%.

Mercer Consultancy heeft in een  rapport van 20  februari  aangegeven dat door de rentedaling  tussen 2006 en 2016 een forse wijziging  van ongeveer 3% van de pensioenverdeling is  opgetreden. In 2006 was het aandeel van de groep tot 65 jaar 61%, door de rentedaling  is dit aandeel gestegen naar 68%. Omgekeerd is het aandeel van 65plus  gedaald van 39 % naar 32 %. Dat betekent volgens Mercer  een  overheveling van oud naar jong van  ongeveer 90 miljard:7% over 1400 miljard.

Voeg daarbij de overheveling van oud naar jong als gevolg van de  inconsistentie van het verwacht rendement bij de premieberekening en RTS  bij  de verplichtingen van 40 miljard tot heden. De komende jaren is dat elk jaar nog eens een overheveling van 10 miljard, volgens cijfers van het ministerie van SZW van oktober 2015.

© 14 maart 2017

Wilt u op de hoogte blijven?

Close

Like ons dan op Facebook!