Tijdens een debat in de Tweede Kamer vroeg Martin van Rooijen zich hardop af hoe het nu verder moet met ons pensioenstelsel. “Ouderen en jongeren mogen er niet over meepraten; ze zitten niet aan tafel, maar staan wel op het menu!”

Vraagteken - Foto: Emily Morter (Unsplash)

Het is heel begrijpelijk dat het overleg over een nieuw pensioenstelsel is vastgelopen, constateert Martin van Rooijen tijdens het debat over de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. “Alle problemen die zich in het pensioenstelsel voordoen worden in de voorstellen die op tafel lagen niet of onvoldoende en onvolledig opgelost. Als dit het resultaat is van zeven jaar polderen, dan moet het ergste gevreesd worden voor allerlei andere problemen waar Nederland mee te kampen heeft!”, zei het Kamerlid van 50PLUS tegen minister Koolmees (D66). En over het pensioendebat zei hij: “Ouderen en jongeren mogen er niet over meepraten; ze zitten niet aan tafel,  maar staan wel op het menu!”

Nog steeds geen indexatie

Als er een akkoord zou zijn bereikt op basis van het concept dat is uitgelekt, dan was er voor de meerderheid van de gepensioneerden en deelnemers in pensioenregelingen nog steeds geen indexatie gekomen, stelde Martin van Rooijen vast. “Dan waren de premies nog steeds te laag, dan was de doorsneeproblematiek alleen maar theoretisch opgelost, zonder de bijbehorende financiering, dan waren de zware beroepen alleen maar tijdelijk enigszins geholpen en dan waren verreweg de meeste zzp’ers nog steeds zonder pensioen geweest.”

Oplossingen

Martin van Rooijen drong aan op voortvarendheid: “De tijd dringt. Een hele generatie van gepensioneerden dreigt zonder indexatie door het leven te moeten gaan. Terwijl de kosten van levensonderhoud alsmaar stijgen, vooral voor senioren. Zelfs als wél een akkoord zou zijn bereikt, had het nog zeker twee jaar geduurd alvorens de daarvoor noodzakelijke wetgeving zou zijn afgerond. Terwijl de oplossingen veel minder moeilijk zijn dan wordt gedacht en gezocht kunnen worden binnen het bestaande stelsel.”

Dekkingsgraden

“De premie voor het aanvullend pensioen is administratief te laag”, rekende Martin van Rooijen voor. “Als bij de berekening van de dekkingsgraad hetzelfde rekenrendement zou worden toegepast als bij de premie, is er geen probleem. Dan is overigens ook het probleem van de indexering opgelost omdat de dekkingsgraden zouden stijgen naar niveaus boven de 120 procent.

Minimaal pensioen

“Voor zzp’ers is de oplossing ook eenvoudig: verplicht zzp’ers tot het doorberekenen van een verhoging van 10 procentpunten op de BTW, waarvan de opbrengst verplicht moet worden overgedragen aan een zzp-pensioenfonds dat in ruil daarvoor pensioenrechten aanbiedt. En de fiscale zelfstandigenaftreksubsidie van ruim 7000 euro moet worden gehalveerd en het restant gekoppeld aan het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering en opbouwen van een minimaal pensioen”, aldus Martin van Rooijen.

► Lees ook: Oudere werknemer krijgt financiële trap na

 

Lees verder: inbreng van Kamerlid Martin van Rooijen bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met minister Koolmees en staatssecretaris Van Ark:

“Nu het overleg over een nieuw pensioenstelsel is vastgelopen, is het tijd te kijken naar de echte problemen van ons pensioenstelsel en waarom het zo moeilijk is om tot overeenstemming te komen over de oplossingen. En misschien met ideeën te komen om de impasse te doorbreken. Het aanvullend pensioen, in Nederland ook wel de tweede pijler genoemd als aanvulling op de eerste pijler, de AOW, is een vorm van collectief sparen. Er wordt premie betaald voor elk jaar dat je werkt, die premie wordt collectief belegd en vanuit het aldus gevormde vermogen worden de pensioenuitkeringen gerealiseerd. Daarom heet het een kapitaaldekkingsstelsel.

De AOW-premie, die wordt betaald door de mensen die werken, wordt niet gebruikt om vermogen op te bouwen, maar wordt doorgegeven aan de gepensioneerden. Daarom heet het een omslagstelsel. AOW is een volksverzekering: je betaalt premie tot je je de AOW uitkering ontvangt.

Doel van AOW en aanvullend pensioen is om een inkomen na pensionering te realiseren dat het mogelijk maakt de levenswijze van voor het pensioen voort te zetten. Dat kan alleen maar als de premies voldoende zijn en als pensioenuitkeringen worden aangepast aan de ontwikkeling van de prijzen.

De AOW volgt via het koppelingsmechanisme de ontwikkeling van het minimumloon en wordt dus regelmatig aangepast aan de inflatie. Maar bij verreweg de meeste pensioenfondsen worden de pensioenuitkeringen al tien jaar niet meer geïndexeerd. De koopkracht van het aanvullend pensioen is daarom sinds 2008 met 15% teruggelopen. Bij een aantal pensioenfondsen zijn de uitkeringen zelfs verlaagd en loopt het koopkrachtverlies op tot 22%. Dat geldt overigens ook voor de rechten die door de mensen die nog werken worden opgebouwd. Ook die rechten lopen op dezelfde manier achter wat koopkracht betreft.

Dan de premies. Zowel bij de AOW als bij de aanvullende pensioenen wordt onvoldoende premie betaald. Bij de AOW worden de uitkeringen nu al voor 35% bekostigd uit de algemene middelen. Dat wil zeggen dat ook mensen met een pensioen meebetalen aan de AOW-uitkeringen. Bij de aanvullende pensioenen dekken de premies niet de kosten van de aanspraken die erdoor worden opgebouwd. De premiedekkingsgraad, die aangeeft hoeveel van de totale kosten worden gedekt door de premie is al tien jaar of meer rond de 75%. Dat betekent dat elk jaar opnieuw wel de rechten worden verleend die verbonden zijn aan het betalen van de premie, maar dat 25% van de kosten daarvan moeten worden gedekt vanuit de reserves van het pensioenfonds. Vooral de gepensioneerden, die geen pensioen meer opbouwen, zijn hiervan het slachtoffer. Van de premie die werkgevers betalen voor het aanvullend pensioen wordt in de meeste gevallen een deel doorberekend aan de werknemers. Dat gebeurt door de berekende premie uit te drukken in een percentage van de loonsom. Dat heet de doorsneepremie. Bij deze doorberekening betaalt iedereen dezelfde premie voor dezelfde rechten. Dat is niet helemaal rechtvaardig, omdat de premie van de jongeren veel langer wordt belegd dan die voor de ouderen. Eigenlijk betalen jongeren dan teveel en de ouderen te weinig. In het spraakgebruik heet dit “de doorsneeproblematiek”.

Mensen worden steeds ouder. De levensverwachting na het bereiken van het 65ste levensjaar is sinds de oorlog toegenomen met 5,4 jaar. De laatste jaren vlakt de toename van de levensverwachting wat af, maar toch kan men zeggen dat bij de introductie van de AOW de gemiddelde leeftijd waarop een 65-plusser overleed 80 jaar was en dat nu een leeftijd van meer dan 85 jaar wordt bereikt. Kosten die verbonden zijn aan de toename van de levensverwachting worden bij de aanvullende pensioenen gereserveerd vanuit de reserves, die door de rendementen werden opgebouwd, maar de kosten van de AOW nemen autonoom toe door deze ontwikkeling. Los van de toename van de levensverwachting is er nog de vergrijzing, dat wil zeggen de toename van het aantal 65plussers als percentage van de totale bevolking. Was in 1900 nog maar 6% van de bevolking ouder dan 65, in 2018 is dat bijna  19% en in 2060 wordt verwacht dat het 26% zal zijn, een percentage dat nu al in Japan is bereikt. Internationaal gezien is Nederland niet vergrijsd. Italië, Frankrijk en Griekenland hebben een veel meer vergrijsde bevolking. Nederland is een van de zeer weinige landen waar de pensioenleeftijd automatisch wordt aangepast aan de levensverwachting. Daarmee is het probleem van de vergrijzing wel opgelost. Maar steeds later met pensioen gaan is voor mensen met een zwaar beroep niet mogelijk. Zij vallen vroegtijdig uit en bereiken de pensioenleeftijd vanuit een situatie van arbeidsongeschiktheid.

We hebben dus nogal wat problemen op te lossen als we het Nederlandse pensioenstelsel klaar willen maken voor de toekomst. De premies moeten kostendekkend worden, de aanpassing aan de prijsontwikkeling moet gemakkelijker worden, de doorsneeproblematiek moet worden opgelost, er moet een oplossing worden gezocht voor de pensioenleeftijd voor de zware beroepen en er moet een oplossing komen voor ZZP’ers. Bovendien moet worden geanticipeerd op de toename van de kosten van de AOW door de vergrijzing.

Voor zover de inhoud van de besprekingen over een nieuw stelsel zijn uitgelekt, kunnen we de conclusie trekken dat veel van deze onderwerpen op tafel lagen maar dat eigenlijk op geen enkel gebied betekenisvolle voortgang is geboekt.

De indexatie

Dit onderwerp speelt alleen bij het aanvullend pensioen. Sociale partners hebben voorgesteld dat het aanvullend pensioen een voorziening wordt die volledig afhankelijk zal zijn van de resultaten van het pensioenfonds. Omdat er geen buffers meer nodig zijn bij het laten vallen van de zekerheden die er nu nog wel zijn, kunnen deze buffers worden gebruikt voor indexatie. Maar het rendement waarmee pensioenfondsen mogen rekenen als ze moeten vaststellen of er voldoende geld is om aan alle verplichtingen te voldoen wordt niet verhoogd. Pensioenfondsen moeten met gemiddeld 1,5% rendement rekenen terwijl ze in werkelijkheid veel hogere rendementen maken. Nu de Regering niet toestaat dat er aan dit rekenrendement wordt getornd, blijven de pensioenfondsen, die nu geen enkele buffer hebben, met lege handen staan. Want zonder buffer heb je geen ruimte voor indexatie. Veel fondsen hebben geen of nauwelijks buffers: ABP, PFZW, PME en PMT, samen goed voor 60% van alle gepensioneerden. Gepensioneerden die aangesloten zijn bij deze pensioenfondsen zullen het nog jaren zonder indexatie moeten stellen en zullen dus nog jaren koopkracht verliezen bij deze voorstellen.

De premies

Over premies kunnen we kort zijn: die hebben geen enkele plaats gekregen in de discussie. De AOW-premie blijft maar voor twee derde dekkend en ook de premie voor het aanvullend pensioen blijft te laag om de kosten te dekken. Deze problemen blijven onopgelost.

De doorsneeproblematiek

Voor het probleem van de doorsneepremie is wel een oplossing bedacht, maar het was niet mogelijk het eens te worden over de kosten ervan. De oplossing zou zijn dat jongeren voor hun premie een hogere aanspraak krijgen dan ouderen. Omdat de ouderen van nu die hogere aanspraak niet kregen toen ze jong waren, terwijl ze nu wel lager aanspraken krijgen, moeten deze ouderen worden gecompenseerd. Kosten:€ 65 miljard! Er is geen oplossing gevonden voor het dekken van deze kosten.

De zware beroepen

Onderhandelaars waren het erover eens dat onderscheid maken tussen zware en minder zware beroepen feitelijk niet mogelijk is. Dus werd door de vakbeweging ingezet op een aftopping van de pensioenleeftijd. Wel hoger dan 65 maar met verhogen stoppen bij 66 jaar. Het kabinet heeft daartegenover aangeboden de verhoging tijdelijk te vertragen. Maar uiteindelijk zou dit toch betekenen dat de pensioenleeftijd op termijn naar 70 en hoger zou gaan. Het Kabinet was niet eens bereid te spreken over partiële verhoging, bijvoorbeeld door de verhouding van het aantal gewerkte jaren en het aantal pensioenjaren constant te houden.

De zzp’ers

Het schijnt zo te zijn dat er op een gegeven moment bereidheid bestond om een klein deel van de zzp’ers, namelijk zij die een uurloon hebben tot €17 te beschouwen als werknemer van de werkgever die zo’n zzp’er inhuurt. Maar werkgevers zijn terughoudend als het gaat om verantwoordelijk te zijn voor de afdracht van pensioenpremies in het geval van een zzp’er. En over zzp’ers met hogere tarieven werd niet eens gediscussieerd.

Voorzitter, ik ga nu in op de antwoorden van de minister van donderdag jl op mijn vragen n.a.v. het standpunt van de minister dat ook bij zachtere aanspraken de risicovrije rente moet worden gebruikt. Hij neemt daarmede het standpunt van president Klaas Knot over, zoals opgenomen in zijn brief van 19 september 2018 aan de minister.

De vragen en antwoorden concentreerden zich rond de praktijk van de FTK, de wijze waarop de dekkingsgraad wordt berekend, de functie van de buffers, de doelstelling van een pensioenfonds en de positie daarin van toekomstige deelnemers en tenslotte de opvattingen van wetenschappers op de wijze van berekening van de dekkingsgraad.

1)
In zijn antwoord meldt minister Koolmees het volgende: “Iemand die vandaag bijvoorbeeld €1.000,- overhevelt van een risicovrije spaarrekening naar een risicovolle beleggingsrekening is daardoor ook niet onmiddellijk rijker geworden.” Dat is juist, maar niet relevant. De waarde van het belegde vermogen, de activa van een pensioenfonds zijn op elk moment wat ze zijn en dat wordt niet beïnvloed door de samenstelling van het vermogen. De samenstelling van het vermogen beïnvloedt echter wél de toekomstige waarde van dat vermogen. Bij de berekening van de dekkingsgraad gaat het immers niet om de omvang van de activa op zich. Het gaat om de vergelijking van twee kasstromen: de verwachte inkomende kasstroom en de verwachte uitgaande kasstroom. Om een momentane dekkingsgraad te berekenen moeten beide kasstromen contant worden gemaakt. Bij een consistente berekening van de dekkingsgraad wordt voor beide kasstromen dezelfde discontovoet gebruikt. Bij een risicovrij karakter van het pensioencontract is dat de risicovrije rente. Dan wordt een simulatie gemaakt van het vermogen alsof het geheel uit risicovrije vermogenstitels bestaat. De risicovrije rente is dan de juiste discontovoet. Maar in de situatie, zoals was voorzien in het concept pensioenakkoord, dat alle risico’s bij deelnemers en bij gepensioneerden liggen, is het juist om uit te gaan van de werkelijke samenstelling van de activa. De relevante discontovoet is dan in enigerlei vorm het verwachte rendement.

2)
President Knot van DNB en in zijn kielzog de minister beweren nu dat overheveling van alle risico’s naar de deelnemers zijn weerslag mag hebben in het afschaffen van de buffers. Als buffers bedoeld zijn om enige zekerheid te verschaffen dat niet bij de eerste de beste tegenslag moet worden gekort dan zou het juist aanbeveling verdienen om de buffers te handhaven, zij het niet met de huidige omvang. Het is in ieder geval onduidelijk waarom in het geval van een aangepast stelsel de discontovoet niet en de buffers wel kunnen worden aangepast.

3)
Naar onze mening is een pensioenfonds bedoeld om werknemers een pensioen als aanvulling op de AOW te verschaffen. Voor dit recht wordt premie afgedragen door de werkgever. De werkgever kan een deel van deze premie doorbelasten aan de werknemer. Bij deze doorbelasting ontstaat het probleem van de doorsneepremie. In zijn antwoord schrijft de minister het volgende: “Het gevolg van een verhoging van de rekenrente tot boven de risicovrije rente zou immers zijn dat direct meer indexatie aan de gepensioneerden wordt uitgekeerd, waardoor er onvermijdelijk minder van het beschikbare collectieve fondsvermogen overblijft voor de jongere deelnemers en toekomstige toetreders in een fonds”. Deze zin roept twee vragen op:

Waarom zou het indexeren van aanspraken een ander karakter hebben dan het indexeren van pensioenuitkeringen? Bij het indexeren van aanspraken worden de totale verplichtingen onmiddellijk aangepast, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen pensioengerechtigden en deelnemers. Jongere deelnemers zijn net zozeer het slachtoffer van het jarenlang ontbreken van indexatie als gepensioneerden.

Welke rechten kunnen toekomstige toetreders hebben als ze voor die rechten geen premie hebben afgedragen en als die rechten ook niet zijn vastgelegd in de verplichtingen van het pensioenfonds? Hier worden op een kunstmatige manier de verplichtingen van een pensioenfonds uitgebreid met niet-bestaande verplichtingen van deelnemers die nog tot de arbeidsmarkt moeten toetreden. Het systeem van aanvullende pensioenfondsen is gebaseerd op de gedachte dat iedereen in ruil voor een uitkeringsaanspraak premie betaalt. Zonder premie zijn er geen aanspraken. In de premie is een verwacht rendement ingebouwd waardoor de premie kostendekkend is. Dit staat los van de huidige praktijk van niet-kostendekkende premies, een situatie die ook de minister onwenselijk vindt.

Is het niet zo dat een discontovoet die te hoog wordt gekozen ten koste gaat van jongere deelnemers maar dat een discontovoet die te laag wordt gekozen ten koste gaat van de gepensioneerden en de oudere deelnemers? Is een discontovoet die nu al jaarlijks zeer ruim wordt overschreden door de werkelijke rendementen niet een discontovoet die te laag is vastgesteld?

Heeft de minister geen oog voor de gevolgen van een steeds lagere discontovoet, bijvoorbeeld door verlaging van de UFR?
Weet de minister dat deze verlaging is geabsorbeerd door pensioenfondsen ten koste van het vermogen waarvan het grootste deel is opgebouwd vanuit de premies van gepensioneerden en oudere deelnemers?
Kan de minister uitleggen waarom zijn zorgen over de positie van jongere deelnemers prioriteit hebben boven zijn zorgen voor gepensioneerden?

In zijn antwoord spreekt de minister zich uit over de onwenselijkheid van de lage premiedekkingsgraden, die ertoe leiden dat er geen sprake meer kan zijn van een evenwichtige belangenbehartiging. De minister suggereert dat dit probleem zal worden opgelost in het nieuwe stelsel. Dat roept een aantal vragen op:

Nu de minister zo duidelijk vasthoudt aan de risicovrije discontovoet, is de minister dan bereid werkgevers te dwingen deze rentevoet toe te passen bij de premieberekening en niet meer uit te gaan van een verwachte rendement?

Is de minister zich ervan bewust dat in dat geval de premies met 30% moeten worden verhoogd en dat dit de Nederlandse samenleving jaarlijks €10 miljard gaat kosten?

Nu het overleg over een nieuw pensioenstelsel is vastgelopen doet zich de vraag voor of de minister het tot zijn verantwoordelijkheid rekent om een eind te maken aan de bestaande situatie waarin gepensioneerden en slapers een bijdrage leveren aan de financiering van nieuwe aanspraken. Wat denkt de minister daartegen te gaan doen?

Wat een dogmatisch gedoe: het geeft wel aan hoe ingegraven deze Minister er in zit. Dat stelt het échec van de onderhandelingen wel in een duidelijk licht.
De verwijzingen in de brief van de minister zijn zeer selectief, deels niet ter zake en deels bizar. De door hen - hem?- aangehaalde Roshua Rau bespreekt de waardering van rechten  onder het Amerikaanse public pension system. Die zijn inderdaad staatsgegarandeerd. Dat is wel heel anders dan in Nederland en toch zouden ze hetzelfde gewaardeerd moeten worden: “get a life” zou Kees van Dijkhuizen van ABN-AMRO zeggen. Opmerkelijk is dat de minister zich uitspreekt voor  premies op basis  van een risicovrije rente. Dat is consequent, maar maakt het stelsel eerst echt onbetaalbaar. Gaarne reactie.

Wat mij het meest verbaast, is de draai die nu aan de functie van de buffer wordt gegeven. Dit is nooit zo bedoeld als nu wordt beweerd. De zekerheid zit hem in de discontovoet. De buffer heeft te maken met het beleggingsprofiel. Als je alles AAA vastrentend belegt, heb je geen buffer nodig volgens het FTK, maar als je het meer in zakelijke waarden belegt moet je een buffer aanhouden om er voor 97,5% zeker van te zijn dat je met de beleggingen een risicovrij resultaat bereikt. Hoe meer risico je neemt, des te hoger de buffer. Het gaat  dus niet om de buffer als zodanig, maar om de combinatie buffer en beleggingsprofiel.

Daarom klopt van het antwoord van de minister helemaal niets. Wat is de reden om bij 100% beleggingen in AAA-obligaties nog een buffer aan te houden? Die is er niet. Dus leidt een buffer in dat geval ook niet tot meer zekerheid. Het is echt kromtaal. Gaarne reactie.

Ik herhaal de vraag of het kabinet bereid was aan de Cie Parameters een extra opdracht te geven om over het standpunt DNB  advies uit te brengen.
Wij hebben het beste stelsel. Mogen we alstublieft  er dan ook zelf over gaan en dan moet de minister zich niet beroepen op buitenlandse wetenschappers met een ander stelsel en ook niet eenzijdig op Jacobs en Van Wijnbergen. Wat vindt de minister van de opvattingen van bijvoorbeeld mensen als Frijns, Teulings en Sluimers over rekenrente, die hij wijselijk buiten beschouwing laat?

Voorzitter, over de blanco cheque van 60-100 miljard als gevolg van de afschaffing van de doorsneeproblematiek heb ik nog een paar dringende vragen:
Deelt u dat wanneer de afschaffing van de doorsneesystematiek wordt doorgezet deelnemers concrete en directe financiering moeten krijgen om te voorkomen dat groepen van deelnemers onevenredig hard worden getroffen en er pech- en gelukgeneraties ontstaan?

Was u bereid om over deze compensatie harde afspraken te maken met werkgevers en werknemers? Was u bereid het geven van compensatie wettelijk te verplichten?

Deelt u de mening van de vakbonden dat wellicht de afschaffing van de doorsneesystematiek macro-economisch gefinancierd kan worden maar dit in bijzondere gevallen alleen ten koste kan gaan van het indexatieperspectief van deelnemers? Dit als het rondkrijgen van concrete en directe compensatie in een financieringsplan tussen decentrale partijen niet mogelijk is (premieregeling/gesloten fondsen/fondsen met sterk groen of grijs deelnemersbestand)?

Bent u in deze bijzondere situaties, anders dan met fiscale ruimte in de tijd, bereidwillig geweest om de overheid als achtervang garant te laten staan voor de compensatie?

Constatering: over compensatie wordt met geen woord gerept in de stukken die 26 november jl in de avond aan de Kamer zijn verstuurd, terwijl dit 60 tot 100 miljard kan kosten (afhankelijk van de rente). 

De toezegging dat dit kabinet haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt om de strenge rekenregels (conform de vele oproepen vanuit de vakbeweging) op korte termijn aan te passen. In ieder geval zodat pensioenkortingen in veel gevallen (fondsen die tussen de 100% en 104,3% dekkingsgraad staan) kunnen worden voorkomen en er meer indexatieperspectief komt op de korte termijn.

Deelt u met ons dat u als kabinet, los van een akkoord, ervoor kunt zorgen dat fondsen die een dekkingsgraad hebben tussen de 100% en 104,3% niet hoeven te korten?
Welke maatregelen gaat u hiertoe nemen nu het pensioenoverleg is mislukt?

Bent u bereid de strenge rekenregels die de pensioenfondsen nu moeten hanteren op basis van de huidige wet- en regelgeving aan te passen?

Is de minister bereid in een uitgebreide brief tot in detail in te gaan op alle hierboven genoemde specifieke vragen en met name hoe de hele compensatie problematiek wordt opgelost?

Bernardino van EIOPA stelde tijdens congres in Frankfurt vorige week dat de EIOPA – UFR voor fondsen ‘kan’, maar ontworpen is voor verzekeraars. Het is zeker mogelijk om de UFR van EIOPA toe te passen voor pensioenfondsen, maar er moet wel op gelet worden dat de UFR afgestemd wordt op het geldende toezichtkader.
De vakbonden pleiten voor toepassing van de op Europees niveau door EIOPA vastgestelde  UFR bij pensioenfondsen. Ik vraag de minister de Europese UFR toe te passen op de fondsen. Bij de invoering van de UFR was die eerst nog gelijk voor fondsen en verzekeraars: 4,2% vast. Later werd de UFR voor fondsen variabel en is nu al gedaald tot 2,5% en gaat naar  ruim 1%. Het gaat om een verschil in dekkingsgraad van 5 tot 7%. Is de minister bereid de Europese UFR toe te passen op de pensioenfondsen en hierover aan de Cie Parameters advies te vragen?

In Trouw staat het bericht dat volgens UWV-cijfers in 5 jaar het aantal zieke 60-plussers met een vast arbeidscontract is verdrievoudigd. Dat komt deels door de hogere pensioenleeftijd waardoor mensen langer moeten doorwerken, zegt UWV. Ik vraag de minister of hij het CPB  op korte termijn wil vragen een nieuwe berekening te maken van de weglekeffecten van de geraamde besparing op de AOW uitgaven door de verhoging van de AOW-leeftijd.

Verbeteren we de concurrentiepositie alleen om iedereen aan het werk te krijgen in flexibele baantjes rond het minimumloon en zonder pensioen? Of is het versterken van de economie en de concurrentiepositie ook bedoeld om er uiteindelijk iets heel goeds mee te doen voor de brede middenklasse en de groepen die daar onder zitten? Een lagere AOW-leeftijd en een hoger minimumloon zijn dan de meest effectieve instrumenten en 50PLUS laat zien dat we hier iets aan kunnen en moeten doen. Een verhoging van het minimumloon met 3% bovenop de normale verhoging leidt automatisch tot verhoging van de AOW uitkering en het sociaal minimum. Via de basis, niet via fiscale trucage.

Het sociaal minimum – de combinatie van een ingewikkeld samen-stelsel van generieke en gemeentelijke minimaregelingen – blijkt echt veel te krap om de eindjes aan elkaar te knopen. Het nu sinds kort weer groeiende aantal lage inkomens illustreert dit pijnlijk.

Zie daarbij ook de NIBUD-cijfers, die het koopkrachtbeeld van het kabinet onderuit halen. 

Jan Nagel, verwoordde dit in de Eerste Kamer nog als volgt: “Wat ons opvalt is het gegoochel met cijfers en een weersverwachting die volgens het patent van de kabinetten Rutte juichend op Prinsjesdag naar buiten wordt gebracht en later zonder een spier te vertrekken naar beneden wordt bijgesteld”. 

Aangetoond is dat het terecht is dat de werkenden nu gaan profiteren van de toegenomen welvaart, maar het toont ook aan dat het minstens zo gerechtvaardigd is dat de gepensioneerden in die welvaart gaan delen en zeker niet in hun pensioenen gekort gaan worden. Dat laatste zou onnodig, onrechtvaardig en eigenlijk krankzinnig zijn. Want wij zijn in vergelijking met andere landen uitstekend voorbereid op een financiële crisis.

Ouderen en jongeren mogen niet meepraten; ze zitten niet aan tafel,  maar staan wel op het menu!”

© 28 november 2018