50PLUS was, is en blijft tégen het pensioenakkoord zoals er dat nu ligt. Want ouderen en gepensioneerden kunnen fluiten naar hun premie en hun rendement! Senator Martin van Rooijen legde minister Koolmees tien pagina’s met vragen en onduidelijkheden voor.

50PLUS blijft zich fel verzetten tegen het pensioenakkoord. Samen met steeds meer mensen, die de petitie op de speciale actiesite van 50PLUS hebben getekend. Begin juli legde de Tweede Kamerfractie van 50PLUS al 55 kritische vragen over het pensioenakkoord voor aan minister Koolmees. Opmerkelijk: de vragen werden als eerste beantwoord door Tuur Elzinga, vicevoorzitter van de FNV. Uiteindelijk stemde het ledenparlement van de FNV toch voor het pensioenakkoord: 64 leden stemden in, 40 stemden tegen.

Tien A4’tjes

50PLUS blijft tegen! Voor ons is glashelder dat ouderen en gepensioneerden niet hoeven te rekenen op herstelbetaling van niet-genoten indexatie. Ouderen en gepensioneerden kunnen fluiten naar hun premie en hun rendement. Nu is de Eerste Kamerfractie van 50PLUS aan zet. Senator Martin van Rooijen formuleerde maar liefst tien A4’tjes met vragen en onduidelijkheden. U kunt hieronder het hele document dat Martin inleverde bij Koolmees lezen.

Kom in actie!

Wilt u – net als 50PLUS en samen met ons – actie voeren tegen dit pensioenakkoord, ga dan naar onze website Kominactievooruwpensioen.nl. Daarop vindt u de komende tijd regelmatig nieuwe kleine en grote acties. Nu al kunt u er de petitie tekenen waarin wordt geëist dat minimaal de drie belangrijkste pijnpunten van het pensioenakkoord worden opgelost. De drie eisen zijn:

1) Het geld moet naar de deelnemers
Er moet een herstelbetaling komen voor het jarenlang onnodig afknijpen van de pensioenen. En er moeten voor de zes jaar lange transitieperiode afspraken gemaakt worden over de indexatie van pensioenen.

2) Onteigening is uit den boze
Delen van de ruim 1500 miljard euro (!) die in de pensioenpotten zitten mogen niet zomaar verschoven worden van oud naar jong. Permanente onteigening van de rechtmatige eigenaren is uit den boze!

3) Niet: slikken of stikken
Individueel bezwaar maken tegen de maatregelen in het pensioenakkoord wordt onmogelijk gemaakt. De individuele bezwaarprocedure – artikel 83 van de Pensioenwet – wordt namelijk jarenlang buiten werking gesteld. Het is slikken of stikken… Dat mag niet doorgaan!

Wij eisen dat ten minste deze drie pijnpunten in het pensioenakkoord worden opgelost! Teken de petitie op onze actiewebsite!

► Vragen van Martuin van Rooijen van 50PLUS over de brief van minister Koolmees: klik hier

► De vragen van Martin van Rooijen, senator voor 50PLUS, met het verzoek om beantwoording voor de Algemene Politieke Beschouwingen van 27 oktober 2020:

Onze fractie verwijst naar het opinieartikel van Jan Tamerus in Pensioen Pro onder de kop: “Geef nu duidelijkheid over kortingen en indexatie’. Niet korten en snel weer indexeren haalt veel onzekerheid weg. Een belangrijke rol hierbij is weggelegd voor de rekenrente die gehanteerd gaat worden voor de omrekening van opgebouwde Db-aanspraken naar vermogen, het zgn. invaren.

De rentetermijnstructuur (rts) op het huidige niveau is daartoe ongeschikt en onrechtvaardig voor de oudere generaties. Door de transitiemaat nu al te bepalen op bijv. de rts, met een minimum van 2%, kan de politiek alle ouderen die in grote onzekerheid verkeren alsnog duidelijkheid en perspectief geven, evenals de twijfelaars in de achterban van de vakbeweging. We voorkomen hiermee dat we moeten korten vanwege regels waarvan we zojuist hebben besloten om er afscheid van te nemen.

Het geeft nu duidelijkheid. Niets is zo fnuikend als onzekerheid. Het haalt een stuk terug van de jarenlange herverdeling van oud naar jong door de alsmaar dalende rente. Doen we dit niet, dan krijgen de oudere generaties dit verlies nooit meer terug. En het zou toch wel heel bizar zijn om over een aantal jaren te moeten vaststellen dat we hebben ingevaren op het dieptepunt van de rentestand. Dat mag, want met de uitwerking van het pensioenakkoord zeggen we ook impliciet dat we de grote renteafhankelijkheid echt zat zijn.

Daarom stappen we van Db-aanspraken af. De 2% spoort om en nabij met de discontovoet onder de gedempte premie, bepaald op een prudent niveau van het reële portefeuillerendement van een standaard beleggingsmix.

Dit betekent nog een keer herverdelen dus. Maar dat moet tóch, door het afschaffen van de doorsneesystematiek. Dat is een grote herverdeling. De overgangsperiode is eigenlijk veel te lang. Maar in verband met de noodzaak tot zorgvuldigheid in wetgeving (de overheid), besluitvorming (de fondsen) en implementatie (de uitvoeringsorganisaties) kan het niet sneller. Juist daarom is het zaak om zekerheid te bieden over de regels in deze lange overgangsperiode”.

Gaarne ontvangt mijn fractie een volledig en uitgebreid antwoord van de minister op deze beschouwing van Jan Tamerus. Is de minister het eens met deze beschouwing? Zo nee, waarom niet? Wat is zijn mening over met name van het voorstel om de transitiemaat te bepalen op minimaal 2%?

Jan Frijns en Jelle Mensonides (hierna te noemen Frijns c.s.) houden in Me Judice van 6 augustus 2020 onder de kop: ”Pensioenakkoord is in deze vorm beslist niet toekomst vast” een aantal kritische beschouwingen:

”De focus ligt op het vastleggen via boekhoudkundige regels voor vermogensverdeling over generaties, niet op basis van fairness tussen generaties. Verder is de risicoanalyse mager.

Graag ontvangen wij een uitgebreide en gedetailleerde reactie van de minister op deze conclusie van Frijns c.s. Ligt de focus inderdaad op het vastleggen van de vermogensverdeling over generaties via de boekhoudkundige regels? Kan de minister de risicodeling meer uitgebreid toelichten?

”De pensioenonderhandelaars gaan uit van invaren op basis van het toegerekend vermogen onder het FTK. De vervangingsratio is gedefinieerd als het pensioeninkomen t.o.v. het looninkomen op het moment van pensionering. De berekeningen over de vervangingsratio (VR) per geboortejaar zijn uitgevoerd op de situatie van het jaar 2020 onder het marktrenteregime van het FTK. Omdat het tijdstip van invoering van het nieuwe stelsel nog onduidelijk is zal een andere marktrente andere uitkomsten geven. De VR per jaargang is een functie van beginvermogen(invaren), hoogte van de premie en veronderstelde rente, inflatie en rendement op aandelen bij een lifecycle van de asset allocatie. Allereerst valt op de sterk uiteenlopende uitkomsten van de VR voor het 5- en 95ste perciel. Dit beeld illustreert de geringe stabiliteit van het nieuwe pensioenstelsel. Als we naar de VR per geboortejaar kijken valt op dat de jongere generaties een aanzienlijk hogere ratio hebben dan de oudere generaties. Dit is een gevolg van de methode van invaren, die is gebaseerd op de risicovrije rente als maatstaf voor de toedeling per generatie en van de verschillen in het te verwachten rendement per jaargang.

Voor jongeren is het verwachte rendement fors hoger dan de risicovrije rente, daarmede wordt bij het invaren geen rekening gehouden. Het verwachte reële pensioenresultaat voor ouderen ziet er niet goed uit: de initiële VR is een krappe 70%. De toekomstige indexatie moet uit het veronderstelde bescheiden allocatie naar aandelen worden bekostigd. Er moet serieus rekening worden gehouden met non-indexatie over een zeer lange periode waardoor de VR tijdens de pensioenperiode gestaagd daalt. Het te bereiken pensioen voor jongeren ziet er over de bank genomen beter uit, al zijn de uitslagen in mogelijke uitkomsten er groot”.

Graag ontvangt de fractie van 50PLUS een uitgebreide en gedetailleerde reactie van de minister op bovenstaande beschouwing van Frijns c.s. Deelt de minister de conclusies in deze beschouwing? Zo nee, waarom niet?

Frijns c.s. geeft de volgende beschouwing over risicoanalyse en risico-mitigeren:
“In het nieuwe pensioenmodel wordt een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid gevoerd. Voor ouderen betekent dat er vooral in rente-instrumenten moet worden belegd. De dominante rol van de rente binnen FTK maakt het Nederlandse aanvullende pensioensysteem erg kwetsbaar voor de kortere en langere termijn renteontwikkelingen. Het nieuwe stelsel verandert daar weinig aan. Voor gepensioneerden wordt een vrijwel volledige rentehedge aanbevolen ter bescherming tegen de rentevolatiliteit (beschermingsrendement). Het gevolg is dat in het geval van een hogere inflatie geen compensatie wordt gevonden in een hogere rente deze is immers over de hele resterende looptijd vastgelegd. Het advies van een nagenoeg volledige rentehedge dwingt pensioenbesturen de facto tot een omvangrijke rentehedge doordat in de regelgeving dit relatieve renterisico centraal staat. Het absolute renterisico in de huidige renteomgeving kan destructief uitwerken voor veel deelnemers. Stel dat de lifecycle belegging start vanaf het 56ste levensjaar en de gemiddelde levensverwachting dan nog 30 jaar is. In de CPB-berekeningen is verondersteld dat de allocatie naar vastrentende waarden voor die leeftijdsgroep 65% bedraagt. Veronderstel dat tevens het renterisico voor deze leeftijdscategorie volledig wordt afgedekt, dan zal een renteverhoging van 1%-punt bijna 20% waardedaling van de portefeuille voor deze groep betekenen (0,65*1*30). Voor iemand die net met pensioen gaat kan dan een waardedaling van zijn toegerekende vermogen tegemoetzien van ruwweg 12%. De daling van dit vermogen is een gevolg van de koersdalingen van obligaties en liquiditeitsafroming vanwege de dalende waardes van renteswaps.

Aangezien door het huidige yieldcurve beleid van centrale banken de nominale rente voor de langere looptijden nog sterker zijn gedaald, zal voor deze looptijden een meer dan proportionele rentestijging kunnen worden verwacht als dit curvebeleid wordt losgelaten. De negatieve rente impact op deze lifecycle portefeuille kan daardoor nog hoger uitvallen.

Wij zijn overigens geenszins overtuigd van de effectiviteit van risicomitigering via financiële instrumenten alleen in het nieuwe stelsel; daarvoor zijn de potentiële schokken te groot. We zijn daarom een groot voorstander van aanvullende instrumenten die met name in de sfeer van de premiestelling en de mix kapitaaldekking/omslag moeten worden gezocht. Gebruik van het premie-instrument is essentieel om onverwachte en persistente tegenvallers in de beoogde vermogensopbouw op te vangen, maar werkt echter niet voor alle generaties in gelijke mate”.

Wij zijn zeer benieuwd naar de reactie van de minister op bovenstaande beschouwing van Frijns c.s. Wat is de effectiviteit van risicomitigering, en hoe denkt de minister over de potentiële schokken die kunnen optreden? Hoe staat de minister tegenover de door Frijns c.s. bepleitte aanvullende instrumenten?

Onder de kop Dynamiek van het systeem: ‘Hoe pakt het uit in de toekomst?’ komt Frijns c.s. tot de volgende beschouwing:
“Een behoorlijke risicoanalyse is niet compleet zonder een deugdelijke studie naar de dynamiek van het systeem in contrasterende scenario’s en historische what-if studies. De risicoanalyse in de CPB-studie behorend bij de Hoofdlijnennotitie is gebaseerd op doorrekening van vele mogelijke paden rondom een vaste gemiddelde rente en vast gemiddeld aandelenrendement. In de centrale variant waarbij de rente op lange termijn oploopt naar 1,5% en de reële rente negatief blijft, zijn de kansen op pensioenkortingen groot. Voor ouderen groter dan 35%, en dit zijn dan kortingen t.o.v. het nominale pensioen! In een eerdere CPB-studie (pensioenberekeningen voor 3 scenario’s januari 2020) heeft het CPB de resultaten laten zien van andere veronderstellingen t.a.v. de gemiddelde rente. Die kunnen groot zijn. Hoe dan ook, de nu gepresenteerde brede waaier van mogelijke uitkomsten lijkt ons niet acceptabel; dat wordt onderstreept door de getoonde ontwikkeling van de zekerheidsequivalente vervangingsratio. Er zullen dus aanvullende afspraken nodig zijn voor een adequaat risicomanagement; deze dienen integraal onderdeel van het pensioenakkoord te zijn”.
Is de minister het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?

Onder de kop: ‘Is de pensioendeal een evenwichtig pakket?’ geeft Frijns c.s. de volgende beschouwing:

“Het gebruikte criterium voor evenwichtigheid bij dit akkoord is het netto profijtbeginsel: dit meet of door de transitie een generatie beter of slechter af is dan onder de oude FTK-situatie. Dat criterium houdt dus geen rekening met onevenwichtigheden in de uitgangssituatie, met name met de vermogensoverheveling van oud naar jong onder het huidige FTK als gevolg van de enorme en onvoorziene daling van de rente.

Frijns geeft in figuur 3 onder de kop ‘Herverdeling door de rentecurve’ een beeld van het herverdeling effect van de nominale pensioenverplichtingen door 2 rentecurves (van december 2010 en april 2020) voor 2 pensioenfondsen met een relatief oud en jong bestand. Met name de herverdelingsimpact voor het relatief oude pensioenfonds is groot:

“Uit tentatieve berekeningen kan worden afgeleid dat de RTS-curve van 2010 een redelijk goed beeld geeft van de verdeling van de premies en vermogensvorming over de verschillende generaties/looptijden. Toepassing van een recente RTS-curve leidt derhalve tot een stevige herverdeling van vermogens bij transitie naar het nieuwe stelsel”.

Is de minister het met Frijns c.s. eens dat de herverdelingsimpact voor het relatief oude pensioenfonds groot is? Zo nee, waarom niet? Welke mogelijkheden zit de minister om die herverdelingsimpact te verbeteren voor het relatief oude pensioenfonds. Graag horen wij deze van de minister.

Frijns c.s. constateert in figuur 4 onder de kop: ‘Ontwikkeling inkomenspositie ouderen’:

“Parallel aan deze vermogensoverheveling heeft de lagere dekkingsgraad van het FTK-systeem directe gevolgen gehad voor de koopkracht van de inkomenspositie van ouderen. Grafiek 4 laat zien dat er sinds 2014 sprake is van een beduidende verslechtering van de inkomenspositie van ouderen. Het netto profijtbeginsel houdt geen rekening met onevenwichtigheden in de uitgangssituatie. Een maatschappelijk acceptabeler criterium zou het toepassen van de Musgrave regel zijn. Volgens deze regel worden de gevolgen van een onvoorziene schok zo verdeeld dat ongeveer gelijkelijk inwerken voor de verschillende generaties. In concreto zou de onvoorziene en historisch unieke renteschok niet moeten resulteren in grote verschillen in (verwachte) vervangingsratio tussen de verschillende generaties.

Bij de overgang naar het nieuwe stelsel moet het bestaande vermogen worden toegedeeld aan de generaties en de individuele pensioenrekeningen. Hiervoor staan volgens de toelichting van de minister maar twee wegen open: de VBA-methode of de standaardmethode. In beide gevallen komt de toedeling neer op de FTK-systematiek waarbij de risicovrije rentetermijncurve de ‘arbiter’ is. Met andere woorden, een toevallige rentestand bepaalt de vermogensverdeling over de generaties. De ijzeren logica van een handelsmarkt waartegen geen verweer mogelijk lijkt. De termen van de overgang behoren evenwel een politieke keuze te zijn; op basis de Musgrave regel had een keuze voor nieuwe berekening van de beginbalans op basis van het voor iedere jaargang verwachte (prudente) projectierendement meer voor de hand gelegen.

Het is van belang te benadrukken dat onder het oude systeem vermogen louter toebehoorde aan het fonds; voor de deelnemers is er slechts een recht op pensioen. Een vermogenstoedeling die leidt tot verschillende vervangingsratio’s voor de verschillende jaargangen, tast het basisprincipe van collectieve solidariteit van het pensioenstelsel aan. Het is niet goed in te zien waarom dit basisprincipe van het collectieve systeem volledig overschreven kan worden door een boekhoudkundige conventie die steunt op rekenregels die niet aansluiten bij de centrale doelstelling en bestaansrecht van het collectieve fonds. Op dit punt missen we een fundamentele discussie: beleidsmakers en toezichthouder lijken er de voorkeur aan te geven op dit punt weg te kijken”.
Deelt de minister deze mening? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreid antwoord.

Onder de kop: ‘Kan het beter? Ja: collectiviteit en meer omslag’ geeft Frijns c.s. de volgende beschouwing:
“Een goed pensioensysteem moet duurzaam zijn; gelet op de kennelijk grote risico-aversie moet het de deelnemers beschermen tegen de onvermijdelijke schokken die zich op de financiële markten zullen voordoen. Wil men overgaan naar een systeem van individuele pensioenrekeningen dan bepleiten we toepassing van het Musgrave criterium niet alleen bij het invaren, maar ook via een regelmatige toets op evenwichtige pensioenresultaten.

De sociale functie van het pensioenfonds, het collectieve draagvlak, wordt in het nieuwe stelsel beperkt. De beoogde solidariteitsbuffer is een doekje voor het bloeden en zal zijn bijdrage om evenwichtige pensioenresultaten mogelijk te maken waarschijnlijk niet goed kunnen vervullen. Allereerst is de vraag welke omvang deze buffer moet krijgen om effectief te zijn, ten tweede zullen er discussies zijn over de premie- en uitkeringsregels over de verschillende generaties. En ten derde zullen wet- en regelgever wellicht de neiging hebben strakke regels voor te schrijven, waarbij de vraag overblijft welke rol een pensioenbestuur nog heeft.

Om deze problemen te mitigeren stellen we voor de afgesproken solidariteitspremie te vervangen door een omslagpremie; daardoor wordt een eerste stap gezet om het aanvullende pensioen op een mix van kapitaaldekking en omslag te baseren. Dit draagt bij aan een bredere diversificatie die we van alleen de financiële markten niet verwachten. Het stelsel wordt daardoor robuuster en de initiële vrijval maakt het invaren plus het vormen van een solidariteitsbuffer gemakkelijker.

Vandenbroucke gaat in zijn verhelderende advies aan de Minister van SZW, ‘Collectiviteit, solidariteit en zekerheid’ uitgebreid in op de noodzaak van brede solidariteit. In zijn visie is de toekomst fundamenteel onzeker en leent zich niet voor kansberekeningen. Hij zoekt naar vormen van intergenerationele solidariteit via met name het premie-instrument. In het verlengde daarvan is hij een voorstander van een mix van omslag en kapitaaldekking, ook voor het aanvullende pensioen. Wij zien daarvan grote voordelen (Frijns, Mensonides, van Nunen, (2020).
Is de minister bereid om dit bovenstaande advies van Vandenbroucke over te nemen? Zo nee, waarom niet?

Onder de kop: ‘Tot slot’ komt Frijns c.s. tot de volgende beschouwing.

“Bovenstaande beschouwing laat zien dat de onderbouwing voor de voorgestelde stelselwijziging mager is. De vragen van de Tweede Kamer bevestigen dat deze zorg daar ook leeft; de antwoorden van de minister nemen die zorgen niet weg. De minister zou het fundamentele advies dat hij heeft gevraagd van Vandenbroucke eens moeten (her)overwegen. Het pensioenakkoord gaat in op de vragen die 20 jaar geleden leefden, maar negeert de uitdaging van de huidige tijd. Het oude systeem is failliet; feitelijk bezweken onder de extreem lage rekenrente. Dit is een externe schok waarvan de effecten volgens het Musgrave criterium zou moeten worden toegedeeld dat voor iedereen ongeveer even slecht uit is. Dat is duidelijk nu niet het geval. Het oude systeem heeft echter ook geleid tot een historische extreem hoge vermogenspositie. Een groot deel hiervan is bijeengebracht door de oudere generaties maar zullen volgens de toedelingscriteria van de pensioendeal toevallen aan de jongere jaargangen. Dat is geen evenwichtige aanpak. Maar het FTK was evenzeer niet opgewassen geweest tegen een positieve rente- en inflatieschok: de snel stijgende dekkingsgraden zouden tot potverteren hebben geleid.

Onze verwachtingen voor het nieuwe systeem zijn niet veel beter; de voorstellen voor een nieuw pensioenstelsel zijn ingrijpend en raken miljoenen mensen. We missen een fundamentele analyse van de risico’s en de gevolgen waarmee de deelnemer over de lange tijdshorizon van zijn pensioenregeling te maken krijgt. De vraag naar intergenerationele fairness komt niet fundamenteel aan de orde. In plaats daarvan verschuilen de opstellers van het pensioenakkoord zich achter het netto profijtbeginsel. Dat is meer een operationele, boekhoudkundige, rekenregel dan een echt beginsel en al helemaal ongeschikt om het vraagstuk van intergenerationele fairness onder onzekerheid te beantwoorden. De overdaad aan ingewikkelde technische berekeningen, zonder dat de onderliggende veronderstellingen voldoende expliciet worden gemaakt leidt af maar overtuigt niet en maakt het politieke afwegingsproces nagenoeg onmogelijk. Het nieuwe stelsel start op een moment dat de financiële markten langdurig onder grote druk staan. Diversificatie en risicomitigatie kan niet alleen meer gevonden worden via de financiële markten. Het Pensioenakkoord is hieraan voorbijgegaan. Juist in het huidige tijdsgewicht is inzetten op vastrentende waarden financiële waaghalzerij. Er is een pensioendeal, maar die is in deze vorm beslist niet toekomst vast”. Wat is de reactie van de minister op deze conclusie?

Wat is het antwoord van de minister op de stelling van Marc Heemskerk van AON in Pensioen Pro van 24 augustus 2020 onder de kop: ‘Het niet onredelijk is dat indexatieperspectief voor de huidige ouderen verdwijnt’.

Ik citeer: “Het risicoarm beleggen in het nieuwe stelsel raakt de indexatie voor huidige ouderen, bij overgang op de huidige gemiddelde dekkingsgraad is deze definitief uit zicht. Dat is minder erg dan het lijkt, gezien de inkomens en behoeften van ouderen en de zekerheid die ze ervoor terugkrijgen”.

Kan de minister uitgebreid op deze stellingname ingaan, omdat als deze opvatting een kern van waarheid bevat, het de grond onder het pensioenakkoord weghaalt. Is de minister het eens met de stellingname van Heemskerk? Zo nee, waarom niet?

Klopt het dat indexatie voor huidige ouderen definitief uit zicht raakt? En als dit een kern van waarheid bevat, wat blijft er dan over van de bewering van bijv. FNV dat iedereen erop vooruitgaat en dat overgang naar nieuw stelsel een verbetering is en invaren gerechtvaardigd maakt?

Het advies van de Commissie Dijsselbloem is overgenomen en heeft gevolgen voor de dekkingsgraad en de pensioenpremies.

De dekkingsgraad daalt 6% en wordt nu door DNB uitgespreid over 4 maal 1,5% vanaf 2021. Wordt door de minister erkend dat dit een indirecte tijdelijke verhoging van de rekenrente is omdat de dekkingsgraad mede berekend wordt op basis van de rekenrente? Wordt erkend dat de dekkingsgraad een soort “schaduwrekenrente “is als deze oplossing wordt toegepast? Kan worden aangegeven hoe groot de indirecte verhoging van de rekenrente is als gevolg van de verlaging van de norm voor kortingen van 100% naar 90% dekkingsgraad?

Wat zijn de gevolgen van het advies van de commissie Dijsselbloem voor de pensioenpremies die wel ineens ingaan per 1 januari 2021: met welke percentages moeten die omhoog voor bijv. ABP-Zorg en Welzijn tot boven de 30%. En wat zijn de premiegevolgen in percentagestijging voor PME-PMT en PF Bouw?

Wat zijn de budgettaire gevolgen van evt. de verhoging van ABP-premie met 10%, resp. per procent verhoging. Idem voor Zorg en Welzijn, waarvan premiekosten drukken op de zorg? Wat zijn de financiële gevolgen van de grote premiestijging voor de gehele pensioensector, dus voor werkgevers en werknemers? Graag een uitgebreide toelichting van de minister.

Als de premies niet worden verhoogd, wat zijn de gevolgen voor de pensioenopbouw bij bijv. ABP en Zorg en Welzijn? Hoe groot is dan de daling van het opbouwpercentage en welke gevolgen heeft dat voor het opgebouwde pensioen?

In het pensioenakkoord is afgesproken dat premie en projectierendement samen leiden tot 80% van het middelloon, maar die norm zal lang niet gehaald worden als het opbouwpercentage flink moet worden verlaagd. In het akkoord is afgesproken dat premie en projectierendement samen leiden tot 80% van het middelloon.

Vanaf 2021 moeten ook de premies berekend worden op basis van risicovrije rente. De minister vindt dat de fondsen de premies niet moeten verhogen in 2021 omdat ook de kortingen vervallen als dekkingsgraad boven 90% blijft. Hoe kunnen fondsbesturen hieraan voldoen als zij een evenwichtige belangenbehartiging moeten nastreven?
Klopt het dat om de 5 jaar er een nieuw advies komt van de commissie parameters?

In vraag 114 van de beantwoording van de minister op gestelde vragen is het volgende gesteld:
“Nu er een stelsel komt gebaseerd op premie en rendement, gaat u uiteraard ook voor alle gepensioneerden precies terugrekenen hoeveel premie zij hebben betaald en hoeveel rendement daarop is gemaakt, sinds de start van hun deelname? Indien nee, waarom niet”?

Antwoord van de minister op deze vraag:
“Nee, dat is niet zinvol, niet wenselijk en niet uitvoerbaar. De premie en het beleggingsbeleid van fondsen in de afgelopen jaren is bepaald op basis van de spelregels en financieel-economische omstandigheden van dat moment. Veronderstellen dat al deze factoren de afgelopen tientallen jaren anders zouden zijn geweest, levert geen zinvolle discussie op. Die klok kan niet worden teruggedraaid. Bovendien zouden de effecten ook per deelnemer verschillend zijn.

In de vraag worden een aantal cruciale factoren weggelaten die invloed hebben op de hoogte van premies en pensioenen, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de rente die bepaalt hoe duur een kapitaal gedekt pensioen is. Maar ook de ontwikkeling van de inflatie en levensverwachting. Zo lag de rente in het verleden veel hoger, waardoor tegen een lagere premie een hoger, zekerder pensioen kon worden opgebouwd. Ook is voor de gestegen levensverwachting tot voor kort geen extra premie betaald toen de pensioenleeftijd nog vast op 65 jaar stond en is de feitelijke pensioenleeftijd in de afgelopen jaren met ongeveer 5 jaren gestegen. Alleen naar premies en behaalde rendementen kijken, is dus een veel te beperkte weergave van een veel complexere werkelijkheid in heden en verleden”.

Kan de minister alsnog een betere onderbouwing geven van zijn afwijzend antwoord: de gegeven argumentatie is volgens onze fractieontwijkend en onjuist.

Is de minister bereid om vooralsnog de gevraagde helderheid te verschaffen over het pensioen dat bereikt zou zijn op basis van de individueel ingelegde premies en de daarop belegde rendementen? Graag ontvangen wij deze berekeningen. Zo niet, is de minister bereid het ABP te vragen een berekening uit te voeren voor de deelnemers; welk pensioen zou opgebouwd zijn als rekening wordt gehouden met de ingelegde premies en de behaalde rendementen?

Het netto profijtbeginsel is onderdeel van pensioenakkoord: simpel gezegd: iedereen houdt dezelfde plus of min als in het oude stelsel. Niemand zou erop achteruitgaan: rechten blijven hetzelfde maar kunnen wel worden gekort. Is de minister er het mee eens dat het netto profijtbeginsel voor gepensioneerden betekent dat er maximaal nominale zekerheid bestaat maar geen indexatie, steker nog zij moeten een indexatie offer brengen voor behoud nominale zekerheid? Waarom dan toch ook kortingen?

In het pensioenakkoord zijn twee rendementen opgenomen te weten: het projectierendement van 2,5% voor de opbouwperiode en het zgn. beschermingsrendement voor de pensioenperiode van slechts 1%. Klopt het dat dit percentage zo laag is omdat 30% het maximum deel van het aandelenrendement is dat aan gepensioneerden wordt toegekend? Kan de minister dit bevestigen? Zo nee, wat is dan het maximum deel van het aandelenrendement dat aan gepensioneerden wordt toegekend?

Waarop is deze leeftijdsdiscriminatie gebaseerd? Is het correct dat 70% van het obligatierendement wordt toegerekend aan gepensioneerden, die een laag rendement hebben, gegeven de communicerende vaten tussen rentemutatie en obligatiekoersen die immers tegendraads reageren. Het overrendement kan relatief hoog zijn omdat het beschermingsrendement laag is vastgesteld, maar gepensioneerden delen nauwelijks in dit overrendement. Kan de minister uitleggen waarom dit gerechtvaardigd zou zijn?

In de communicatie over het akkoord is aangegeven dat het grote voordeel is dat de buffers vervallen. Die zitten nu verborgen in de strenge dekkingsgraad maar zouden in nieuwe stelsel zichtbaar worden.

Deelt de minister onze mening dat deze buffers die mede door gepensioneerden werden opgebouwd nu definitief voor hen verloren gaan? Zo ja, hoe is dat te rechtvaardigen? Zo nee, waaruit zou blijken dat die buffers niet verloren gaan voor gepensioneerden?

FNV beweerde in de toelichting naar de achterban dat inhaalindexatie mogelijk zou zijn uit deze vrijval van buffers. Kan de minister een reactie geven worden op deze bewering van FNV? Is dit juist? Zo ja, waaruit zou dat blijken? Zo nee, waarom niet? Kan anderszins bevestigd worden dat inhaalindexatie definitief vervalt en zo nee, waaruit blijkt dan dat inhaal wel mogelijk is?

Voor de duur van de overgangsfase vervalt het individueel bezwaarrecht van art 83 PW. Dat wordt vervangen door een verzwaard collectief bezwaarrecht van het verantwoordingsorgaan. Als dat orgaan er niet uitkomt, volgt er arbitrage. Maar wat is de betekenis van arbitrage als ervan uit moet worden gegaan dat de vertegenwoordigers van actieven en gepensioneerden lijnrecht tegenover blijven staan. Er zijn tal van voorbeelden van verantwoordingsorganen waarin actieven stelselmatig volhouden dat premies niet omhoog mogen en dus het premietekort wordt verhaald op het vermogen ten nadele van gepensioneerden. De arbitrage is niet bindend, maar welke regels gelden dan?

Het vermogen blijft gelijk in het nieuwe stelsel maar wordt verdeeld via de aanspraken: de aanspraken van jongeren zijn veel hoger geworden door de sterk gedaalde rekenrente. Er is een enorme herverdeling opgetreden binnen het collectieve vermogen van Oud naar Jong. Kan de minister een inschatting geven van de omvang van deze herverdeling? Indicaties wijzen erop dat de herverdeling boven de 10% kan liggen.

Hierbij verwijs ik naar het artikel: ‘Waarom dreigt er een enorme onteigening’ van Rob de Brouwer, waarvan de primaire bron te vinden is op www.pensioenfeiten.nl. Het artikel dateert van 22 augustus en is op 2 september aangepast.

Wat is de omvang van de gemiste indexatie voor de gehele pensioensector? Graag ontvangt mijn fractie een uitgebreide berekening.

Uitgaande van globaal 20% sinds 2008 komt onze fractie tot een bedrag van om en nabij 35 miljard. Wat zijn de budgettaire gevolgen voor de gemiste indexatie IB en BTW? Wat zijn de budgettaire gevolgen van geen indexatie tot 2027 voor IB en BTW?

Wij zien de beantwoording van de minister op onze vragen met belangstelling tegemoet.

© 10 september 2020