Martin van Rooijen De Eerste Kamer debatteerde over de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. De wet bevat maatregelen waarover in het pensioenakkoord afspraken zijn gemaakt om meer maatwerk mogelijk te maken in het arbeidsvoorwaardelijk pensioen. Senator Martin van Rooijen oordeelde: “Ons pensioenstelsel en zijn miljoenen deelnemers verdienen beter”.

De inbreng van senator Martin van Rooijen bij het debat over de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in de Eerste Kamer:

“Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het pensioenakkoord. Alvorens op dit voorstel in te gaan, wil ik stilstaan bij de brief van de minister van 16 december aan de Tweede Kamer over de Vrijstellingsregeling, het transitie FTK tot 2026 en de overstap naar het nieuwe stelsel. Met name het transitie FTK werpt nu al zijn schaduw vooruit omdat dit gevolgen heeft voor 2022. De minister noemt dit 3 samenhangende onderdelen. Die zijn ook onderdeel van het pensioenakkoord.

De minister heeft op 14 december antwoorden gegeven op een aantal vragen van de 50PLUS-fractie die door de CDA-fractie werden overgenomen. Minister Koolmees heeft te kennen gegeven dat hij de regels van het nieuwe pensioencontract wil gebruiken voor de overbruggingsperiode, het zogenaamde ‘ingroei-pad’, naar het moment van transitie die geleidelijk moet verlopen.

”Eenvoudigweg lukt het de fondsen niet om in het huidige stelsel de toegezegde pensioenen met een grote mate van zekerheid waar te maken”.

Hier gebruikt de minister de term: grote mate van zekerheid. In het verleden ging het steeds om garanties, om onvoorwaardelijke toezeggingen, om zoals de president van DNB zegt “een resultaatsverplichting”. Ik zie in de term “grote mate van zekerheid” een nuance, niet onbelangrijk. Want het hele FTK is nu juist gebouwd rond de onjuiste veronderstelling dat er sprake zou zijn van een garantie. Ik noem dat de mythe van de garantie. Daarom een risicovrije rente als discontovoet en daarom grote buffers. Als die garantie er ook nu al niet meer is, waarom dan nog vasthouden aan die strenge normen terwijl IORP I en II voor een zo groot mogelijke zekerheid een prudent verwacht rendement als discontovoet voldoende vindt?

In dezelfde brief blijft de minister vasthouden aan de uitgangspunten van het FTK als het gaat om de verdeling van het vermogen. Velen zijn het daar niet mee eens. Dat zou de toevallige rente van het moment bepalend maken voor de verdeling. 80-plussers hebben hun pensioenvermogen opgebouwd in jaren met hoge rendementen en in het nieuwe stelsel zouden die rendementen voor hen beschikbaar moeten zijn in de opbouw van hun persoonlijke vermogen. Maar bij de verdeling van het vermogen dat in het verleden werd opgebouwd moeten ineens andere normen gelden. Zo starten jongeren met een relatief grote pot die ze te danken hebben aan de inleg en het rendement daarop van ouderen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Dan hebben de gepensioneerden de pech dat ze moeten invaren in een tijd dat de rente gedomineerd wordt door ingrepen van de ECB. Een uitzonderlijke tijd met een uitzonderlijk lage rente. Terwijl de werkelijk gerealiseerde rendementen veel hoger waren en zijn. Dat is dermate onrechtvaardig en betekent in feite legale diefstal. Dat is toch niet uit te leggen? Graag reflectie van de minister.

De brief van 16 december aan de Tweede Kamer vermeldt 3 met elkaar samenhangende onderdelen in de jaren, totdat in 2026 de transitie naar het nieuwe stelsel is afgerond:

1.Vrijstellingsregeling 2021

2.Transitie FTK  tussen 2022 en 2026

3.Overstap naar het nieuwe stelsel

Alle ouderenorganisaties waren laaiend over deze brief omdat er over deze brief niet het toegezegd overleg plaats heeft gevonden. Minister graag uitleg: klopt dat?

Als argument wordt de uitbraak van het Coronavirus genoemd voor de vrijstellingsregeling 2021. Het bijzondere is nu dat de snelle ontwikkeling van het vaccin tegen Corona de oorzaak is dat de vrijstellingsregeling niet nodig is gebleken voor ABP en PFWZ die in de gevarenzone verbleven. Zij zijn door de gong van het vaccin en daardoor van de beurzen gered. Het kan verkeren. Jarenlang heeft de 50PLUS-fractie in Tweede en Eerste Kamer hiervoor gewaarschuwd. Daarom is destijds het initiatiefwetsvoorstel ingediend voor tijdelijke 2% rekenrente om kortingen te voorkomen. Het werd weggestemd in de Tweede Kamer. Nu heeft 50PLUS wederom een initiatiefvoorstel naar de Raad van State gestuurd voor advies voor 2% rekenrente gedurende de transitie.

In de hoofdlijnennotitie Pensioenakkoord van 22 juni was aangegeven dat gebruik zou worden gemaakt van de bevoegdheid van art 142 PW. Vakbonden eisten immers dat er niet zou worden gekort als onderdeel van de onderhandelingen.

Minister spreekt over grootscheepse pensioenverlagingen die hij niet gewenst acht. Die verlagingen zijn minder het gevolg van de Corona epidemie dan van de steeds verder dalende rekenrente. Dat weet de minister toch ook. De beurzen stonden eind 2020 wereldwijd op recordniveau. Bij een rekenrente van zelfs maar 1% zouden kortingen niet nodig zijn: dekkingsgraad stijgt dan met gemiddeld 15%. Erkent de minister met mij dat een verlaging van de minimale dekkingsgraad van 104% naar 90% gelijk staat met verhoging van rekenrente met 1%. Waarom draait de minister niet aan de knop van de rekenrente maar wel aan de knop van de dekkingsgraad, die toch vooral door rekenrente wordt bepaald?

Die dalende rekenrente was ook de reden dat in het akkoord over de uitwerking van het pensioenakkoord in juli 2020 de rekenrente moest worden afgeschaft. Die rekenrente was nog onderdeel van het pensioenakkoord van juni 2019. De President van DNB was er toen als de kippen bij om duidelijk te maken dat de buffers wel konden verdwijnen maar dat de risicovrije rente de enig juiste rekenrente was. Daarom bleek de rekenrente onhoudbaar om de afgesproken pensioenambitie waar te maken. Vakbonden eisten rendement in plaats van rekenrente en eisten ook geen kortingen in het zicht van het nieuwe stelsel. Bovendien wisten zij dat grote kortingen vlak voor verkiezingen politieke zelfmoord voor de coalitie partijen zou zijn. Mijn voorspelling: die kortingen komen er niet kwam uit. En opnieuw was het DNB die verordonneerde dat als zonder risicovrije rente moest worden gewerkt dit alleen maar mogelijk was bij een premieregeling. Ik dacht dat het pensioen een zaak was van de sociale partners maar kennelijk maakt DNB uit wat er moet gebeuren. Vindt de minister het acceptabel dat de DNB deze doorslaggevende invloed heeft?

Brief van 60 prominenten

Dit brengt mij weer op de brief van 60 prominenten van 13 oktober 2019. Die heeft nog niets aan relevantie en actualiteit ingeboet. Niet in het minst ook door de aangehouden motie van Rooijen c.s. die de opvatting van deze prominenten vastlegde.

De brief beschrijft de feitelijke financiële ontwikkelingen bij onze pensioenfondsen en constateert dat deze aanzienlijk afwijken van de thans gehanteerde rekenregels. Het memo wil tegenwicht bieden tegen onjuiste conclusies gebaseerd op een rekensystematiek die soms welhaast lijkt worden verdedigd om te kunnen korten. Het memo levert een pleidooi voor een rekensystematiek die meer aansluit bij de werkelijkheid, zoals dat ook expliciet door de Europese pensioenrichtlijn IORP 2 mogelijk wordt gemaakt.

Wat zou volgens de briefschrijvers een oplossing zijn?

Als we accepteren dat pensioenuitkeringen altijd aan een bepaald risico onderhevig zullen zijn omdat nu eenmaal het overgrote deel van de pensioen uitkomst afhankelijk is van onzekere beleggingsopbrengsten, dan is het ook redelijk dat risico deels in te prijzen. Immers het huidige pensioencontract is op zichzelf al onzeker en die onzekerheid zorgt ervoor dat de verplichtingen kunnen worden verdisconteerd met rendementen die hoger zijn dan de risicovrije rente.

Vanuit deze gedachtegang zou bijvoorbeeld het verwachte rendement uit twee componenten kunnen bestaan. Voor een deel gebaseerd op de risicovrije rente en voor een ander deel gebaseerd op de gerealiseerde rendementen. Bijvoorbeeld op basis van het voortschrijdend gemiddelde rendement van het pensioenfonds van de afgelopen 10 jaar.

De brief eindigt als volgt: er moet meer ruimte worden geboden aan de feitelijke rendementen van de fondsen en niet het hele stelsel alsmaar blijven ophangen aan de risicovrije rente. Inhoudelijk biedt het huidige pensioencontract die ruimte en ook een nieuw contract moet dat liefst nog helderder doen. Anders rekenen we onszelf alleen maar verder de put in. Ons pensioenstelsel en zijn miljoenen deelnemers verdienen beter.

Mijn fractie vindt dat dit memo in het kader van de consultatieronde over het nieuwe contract de hoogste prioriteit moet krijgen.

De minister merkt op dat bij het vinden van het intergenerationele evenwicht niet alleen de ‘plus’ effecten van het voorkomen van kortingen een rol spelen, maar bijvoorbeeld ook het effect dat demping van de premie binnen de wettelijke mogelijkheden met verwacht rendement heeft op het intergenerationele evenwicht. Het voorkomen van pensioenverlagingen leidt immers tot de situatie dat risico’s voornamelijk verschuiven van oudere naar jongere generaties. Minister hoe durf je dat zo te zeggen? En de gedempte premies betekenen een omgekeerde verschuiving van financiële risico’s.

Zo zijn er naast bovengenoemde effecten diverse andere effecten die de komende jaren tegen elkaar inwerken. Dat speelt bij het transitie FTK en het bestuurlijk afwegingskader met evenwichtigheid.

Ik merk hierbij op dat de daling van rekenrente, incl. daling van de UFR, een overdracht van vermogen is van Oud naar Jong en demping premie eveneens. Het actuarieel bureau Mercer legde het in 2016 als volgt uit; ik citeer: het aandeel in de reservering van verplichtingen voor gepensioneerden is teruggelopen van 39% naar 32% door de sinds 2007 gedaalde rekenrente van 4,3% naar 1,4%. Inmiddels is dat aandeel nu tot beneden 30% gedaald door de verdere daling van de rekenrente naar 0%.

Ik wijs erop dat DNB destijds tegen het gebruik van het verwachte rendement was voor de premieberekening. DNB wilde ook hier de risicovrije rente gebruiken. De politiek volgde het standpunt van DNB niet en dat is uniek. De politiek wilde de premies laag houden en zette het gebruik van deze gedempte, niet kostendekkende premie door.

De demping van de premies heeft een jaarlijks effect op de dekkingsgraad van rond 0,5 procentpunten en het totale effect is inmiddels opgelopen tot 6 procentpunten. Kan de minister dit bevestigen? En er zijn nog veel meer verschuivingen van oud naar jong, zoals ook de sterk gedaalde UFR. Ik noem ook de vrijval van buffers bij een dekkingsgraad van boven de 100% en toch geen indexatie. En ook de impact van de levensverwachting die gezamenlijk wordt gedragen maar die veel groter is voor jong dan oud.

De Premiedekkingsgraad van het ABP is 63% en dus 6 mld. te laag: 10 mld. i.p.v. 16 mld. De Staat betaalt 4 mld. per jaar te weinig premie en dat al jaren! Dat is toch niet normaal? Wat vindt de minister daarvan?

Transitie FTK

De minister plaatst het Transitie FTK in het kader van het realiseren van een verantwoorde, intergenerationele, evenwichtige overstap, die ook uitlegbaar moet zijn.

De minister zegt dat er maatregelen zijn afgesproken in het FTK en in het Pensioenakkoord om intergenerationele effecten inzichtelijk te maken. Mijn vraag: hoe dan? Kan de minister toezeggen een gedetailleerd overzicht aan de Kamer te sturen?

Het transitie FTK zal gelden voor fondsen die overstappen en voor dat FTK zullen de bestaande eisen uit hoofde van MVEV tijdelijk buiten werking worden gesteld. Op basis van het reguliere FTK zou voor een groot aantal fondsen bij de huidige dekkingsgraden bijvoorbeeld rekening moeten worden gehouden met forse kortingen van bijna 15%.

Gebruik van het Transitie FTK is optioneel en een keuze van het pensioenfonds. Op het moment dat een pensioenfonds het transitie FTK verlaat omdat het besluit bestaande aanspraken niet in te voeren in het nieuwe stelsel moet het bij het eerstvolgende meetmoment weer voldoen aan de regels van het reguliere FTK. De bestaande aanspraken vallen in dat geval weer onder het reguliere FTK.

Erkent de minister dat dit tot gevolg heeft dat 15% korting zal plaatsvinden, zolang de rekenrente op het huidige extreem lage niveau blijft?

Richtdekkingsgraad

Weer een nieuwe variant van de term dekkingsgraad. We hebben er al 3: actuele-beleids-premie dekkingsgraden. De richtdekkingsgraad voor de overstap wordt 95% en is de financiële vertaling van de gemaakte afspraken over een nieuwe pensioenregeling, een nieuwe pensioenovereenkomst en over de vormgeving van de overstap naar het nieuwe stelsel. Een fonds dat gebruik maakt van het transitie FTK  moet uiterlijk op het moment van invaren en uiterlijk 1 januari 2026 de 95% hebben bereikt. Hoe het fonds naar die 95% toegroeit geeft het aan in zijn overbruggingsplan. Voor elk fonds dat gebruik maakt van het transitie FTK geldt een generieke richtdekkingsgraad van minimaal 95%.

Net als bij de vrijstellingsregeling geldt in het transitie FTK altijd een minimale dekkingsgraad van 90%.

Systeem van kortingen

Als op basis van het herstelvermogen uit het overbruggingsplan het niet mogelijk is om de 95% te bereiken voor 2026 dient in 2022 onvoorwaardelijk gekort te worden, zodat de 95% weer wordt bereikt. Die korting mag niet gespreid worden.

Indien het herstel zich vervolgens conform het overbruggingsplan voltrekt zijn verdere kortingen niet nodig.

Mochten in latere jaren toch kortingen nodig zijn om de 95% weer te bereiken, mogen fondsen die kortingen tijdsevenredig spreiden over het aantal jaren tot 2026.

Premiestelling

Pensioenfondsen geven in hun overbruggingsplannen aan hoe de premiedekkingsgraad met het oog op de transitie bijdraagt aan de financiële positie van het fonds. Dit is zeer onduidelijk. Wat bedoelt de minister? Graag uitleg.

Kan de minister bevestigen dat de gedempte premie blijft bestaan tijdens de transitie tot 2026? Dat betekent dan dat deze gedempte premie het vertrekpunt is voor de premiestelling bij de aanvang van het nieuwe stelsel? Graag antwoord van de minister.

Erkent de minister dat dan de premiedekkingsgraad van gemiddeld 70% daarmede definitief is met alle gevolgen van dien voor de dekkingsgraad tot 2021 en tot 2026. De gedempte premie heeft dan 20 jaar bestaan. Hoe is dit te verdedigen?

Advies scenariosets

Het advies van de Commissie Parameters is overgenomen en wordt stapsgewijs geïmplementeerd. De transitie naar het nieuwe stelsel brengt aanvullende technische vragen op die niet aan deze Commissie zijn gesteld. Het advies van de Commissie uit 2019 heeft betrekking op het huidige stelsel. Daarnaast is een scenario set nodig voor het invaren naar het nieuwe stelsel.

Een onafhankelijk, technisch advies zal worden gevraagd over deze scenariosets.  Kan de minister die onafhankelijkheid garanderen? Vraag aan de minister: worden ouderenorganisaties bij de opdracht betrokken?

Welke rekenrente zal gaan gelden voor het invaren? Wat is rechtvaardig? Zal dat de RTS van DNB zijn of is een opslag mogelijk van bijvoorbeeld 35% van het aandelenrendement, het zogenaamd beschermingsrendement in nieuw stelsel?

In welke mate blijft RTS een rol spelen in nieuwe stelsel?

Dit advies staat los van evt. herverdelingseffecten die kunnen optreden bij de transitie. De wenselijkheid van die effecten zal onderdeel zijn van de integrale besluitvorming over de transitie door sociale partners. Mijn vraag is welke correcties kunnen deze scenario sets hebben op deze herverdelingseffecten? Blijven de herverdelingseffecten bestaan? Kan de minister hierop antwoorden?

Het kan toch niet zo zijn dat tot 2026 de gedempte premie blijft bestaan van gemiddeld 70%, die de komende 5 jaar nog een totaal negatief effect heeft op de dekkingsgraad van 4%.

Bij mij heeft steeds de indruk bestaan dat de minister tijdens de transitie de regels van het nieuwe contract zou toepassen. Betekent dat niet dat zou worden vooruitgelopen op verwachte rendementen?

Waarom wordt de Commissie Dijsselbloem niet gevraagd een nieuw advies uit te brengen voor het nieuwe stelsel?

Het lijkt me logisch dat de rekenrente niet wordt verlaagd in een transitie naar een nieuw stelsel waarin die rekenrente geen rol meer speelt. De Commissie Dijsselbloem had o.a. geadviseerd over de technische uitwerking van de grondslagen voor de waardering van de pensioenverplichtingen met een lange termijn (de Ultimate Forward UFR) De UFR daalt op basis van dit advies snel tot het niveau van de risicovrije rente met als gevolg een daling van de dekkingsgraad met 6%. Daar komt een daling van de dekkingsgraad bij van 4% door het effect van de gedempte premie. Het totale effect is een daling van de dekkingsraad met 10% voor de komende 5 jaar. Dat blijkt uit de brief van de minister van 27september. Ik maak mij grote zorgen over deze achterstand van 10% die dekkingsraad gaat oplopen ten opzichte van het doel van 95% met de gevolgen voor korten en invaren. Deelt de minister onze zorgen?

Hoe actueel mijn bijdrage is blijkt ook uit het interview in het Algemeen Dagblad van 11 januari met de voorzitter Van der Spek, mijn opvolger bij de Koepel van Gepensioneerden. Hij eist dat de strenge regels tot 2026 direct van tafel gaan. Die leggen een bom onder het streven de pensioenen niet te korten in de komende 5 jaar. Er moeten nieuwe regels komen, soepel toepassen van bestaande regels is volgens de Koepel onvoldoende. De belofte van Koolmees en de sociale partners om indexatie snel mogelijk te maken blijkt een dode mus. Mijn fractie steunt deze eis: geen kortingen en snel indexatie. Frijns en Mensonides vinden dat gepensioneerden met terugwerkende kracht compensatie moeten ontvangen wegens de gedaalde rente. Graag een duidelijk antwoord van de minister.

Bestuurlijk afwegingskader intergenerationele evenwichtigheid

Bij het beoordelen op fondsniveau van de evenwichtigheid van het invaren spelen vele verschillende effecten. Daaronder vallen onder meer: langdurig uitstellen kortingen, gebruik premiedemping, de gedaalde rente, de UFR en het moment van invaren. De minister zal een handleiding opstellen die gereed is bij indiening van het wetsvoorstel.

Dit brengt mij op de vraag of de minister kan toezeggen dat hij nog eens goed gaat kijken naar de effecten uit het verleden van deze 5 componenten. Wat zijn met name de effecten van de gedaalde rente incl. UFR en de premiedemping? Wil hij de kamer hierover informeren per brief? Is hij bereid tot inhaal van gemiste indexatie over te gaan?

Met de Koepel van Gepensioneerden ben ik van mening dat de onevenwichtigheden van het verleden moeten worden hersteld in het kader van de verdeling van de individuele vermogens. Er is de laatste jaren vermogen gevloeid van oud naar jong door de te lage premies en het lage rekenrendement. En dat is onrechtvaardig. Is de minister bereid tot inhaal gemiste indexatie?

De minister heeft bij de opstelling van transitie FTK een aantal vraagstukken geïdentificeerd die mogelijk spelen tijdens transitie en nadere weging behoeven. Het gaat hierbij over dezelfde effecten die een rol spelen bij evenwichtigheid van het invaren, maar die ook een rol spelen tijdens de transitie op de ontwikkeling van de dekkingsgraad en de gevolgen daarvan voor premie, opbouw en uitkeringen. Ook speelt een vraagstuk omtrent het eerste moment van invaren. Het invaarmoment is bepalend voor de omzetting naar het voor het individu gereserveerde vermogen, waarbij de marktverhoudingen op een specifiek moment bepalend zijn voor de verdeling van het collectieve pensioenvermogen van het huidige naar het nieuwe stelsel.

Ik heb een klip klare boodschap aan de minister: ga niet korten in de transitie en zorg ervoor dat de UPO van de dag voor en na het invaren gelijk blijft. Anders voorspel ik dat het vertrouwen in het nieuwe stelsel een grote dreun krijgt. En u kent mijn voorspelling: ”die kortingen komen er niet”. Graag een reactie van de minister op mijn boodschap aan hem.

Dan kom ik nu op het wetsvoorstel dat onderdeel is van het pensioenakkoord dat ik eerst uitvoerig aan de orde heb moeten stellen.

Pensioen ineens

Het opnemen van een bedrag ineens uit het pensioenkapitaal van mensen is niet zo’n goed idee, omdat de basis van solidariteit en verplichtstelling onzes inziens wordt ondermijnd. De gevolgen voor belastingen en toeslagen zijn voor mensen niet goed te overzien en juist mensen met lage inkomens kunnen dan zomaar beslissingen nemen die per saldo heel slecht voor hen uitpakken.

Ten principale staat het haaks op de doelstelling van het pensioenstelsel: sparen voor de oude dag. Het is een vorm van ontsparen en leidt tot een lager pensioen. 10% opname ineens is relatief veel gunstiger als je geen toeslagen ontvangt.

Sociaal is dat dus niet. Het werkt denivellerend en dit is het gevolg van het ingewikkelde stelsel van belastingen, aflopende heffingskortingen en toeslagen. Hoe zorgt de minister ervoor dat de deelnemers de gevolgen van hun keuze goed kunnen overzien?

Het bedrag ineens werkt niet voor mensen met een laag inkomen. De combinatie van hoge tarieven, afbouw van algemene en arbeidskorting en inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen maakt het tot een financieel doolhof: ingewikkeld, onoverzichtelijk en tot onbegrijpelijk toe.

Keuze voor pensioen ineens heeft gevolgen in het jaar waarin je het bedrag ineens krijgt, maar ook in de jaren erna. Het gaat ten koste van het pensioen daarna.

In AMVB zullen uitgebreide informatieplichten komen voor de pensioenuitvoerders. Die moeten informeren over en waarschuwen voor de potentiële gevolgen voor toeslagen en belastingen.

Ik houd mijn hart vast en denk ook aan 2,5 miljoen laaggeletterden. We zullen goed moeten monitoren wat de eerste ervaringen zijn en dan opnieuw ons de vraag stellen of het ons allemaal waard is wat we hier optuigen. Of de ingewikkeldheid voor de deelnemer en de enorme extra uitvoeringsproblemen en uitvoeringskosten voor de pensioenfondsen en verzekeraars opwegen tegen deze politieke hobby, dit politieke speeltje van D66 uit het regeerakkoord. Kan de minister een onderzoek toezeggen? Voor ons weegt zwaar mee dat slechts 10% van de kandidaten van de regeling gebruik zal maken. Waar beginnen we eigenlijk aan?

Blijven we maar uitvoeringsproblemen op elkaar stapelen. En dat is des te meer onbegrijpelijk met het oog op de gigantische uitvoeringsproblemen en uitvoeringskosten van invoering van een nieuw stelsel dat 5 jaar gaat duren.

De Hoorzitting van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties en het rapport van de Commissie van Dam over de Toeslagenaffaire moet ons toch aan het denken zetten Op een gegeven moment is de grens bereikt en moet het stoplicht aan.

Mijn fractie is niet overtuigd door de antwoorden naar aanleiding van de Nota van wijziging.

Wegens de uitvoeringsproblemen zou de regeling pas ingaan op 1 januari 2022, maar wij blijven bij ons standpunt dat er uitstel met een extra jaar tot 1 jan 2023 moet komen. Wij verwijzen naar de zware kritiek van de Pensioenfederatie.  

De minister bevestigt in zijn antwoord op mijn vraag dat de pensioendeelnemer bij een klein pensioen van 5400 euro maar een schamele 34% in besteedbaar inkomen overhoudt van de afkoop van 10.000 ineens en niet 72%. Dat komt door het vervallen van de huur- en zorgtoeslag van in totaal 3600 euro. Die 34% is zo weinig dat hier dan geldt: niet doen dus. De 50 PLUS-fractie vindt dat bij afkoop bij een klein pensioenen een oplossing moet worden gevonden worden voor de gevolgen voor de toeslagen, vooral de huurtoeslag. Graag een antwoord of de minister daartoe bereid is?

Minister geeft aan dat het mediane pensioen bij PFZW 8000 is: 50% van de gepensioneerden in de Zorg heeft pensioen van minder dan 8000 bruto: dat is 650 per maand. De 5400 uit het rekenvoorbeeld komt overeen met 450 per maand. Bijna de helft van die PFZW-gepensioneerden heeft dus 450 euro per maand.

Dan de overige maatregelen:

Verlofsparen

Het voorstel ligt er op verzoek van sociale partners zoals van de sectoren van bijvoorbeeld de havens en de politie. Het gaat hier om maatregelen die de straf op eerder stoppen verminderen.

Niet echt nieuw geld van de overheid maar geld van jezelf, een sigaar uit eigen doos. De werknemer spaart zelf voor verlof door minder vakantie op te nemen of door uren bij te kopen. Met veel verlofsparen kun je eigen pensioendatum flink beïnvloeden.

De RVU-boete

Een beperking van de RVU-boete, hoe klein ook, is in elk geval een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Eerder stoppen met werken wordt niet aanzienlijk gefaciliteerd zoals de Raad van State opmerkte, maar het in ons land zwaar bestraffen wordt een beetje minder bestraft.

Waarom is het een tijdelijke maatregel en waarom is het bedrag van de vrijstelling zo laag? Waarom niet 1 of 2 maal modaal? Veel werknemers in bouw en de zorg verdienen al veel meer. Voor hen volgt een boete, terwijl zij toch een zeer zwaar beroep hebben. Uiteraard zijn wij verheugd over terugwerkende kracht.

Alle beetjes helpen, dus steunen wij dit.

Voorzitter, overigens blijven wij van mening dat de rekenrente naar 2% verhoogd moet worden en dan:

- kan het bestaande prachtige stelsel blijven bestaan

- kan ook de doorsneepremie afgeschaft worden in het bestaande stelsel

- kan de compensatieproblematiek opgelost worden door de indexatieruimte die ontstaat door de 2%.

Nu is het zo dat het afschaffen van de Doorsneepremie Leidmotief is en daarom het stelsel moet worden afgeschaft om zo de compensatie met indexatie mogelijk te maken. Dat is de omgekeerde wereld.

Wij hopen dat in de consultatieronde de brief van de 60 prominenten niet aan dovemans oren is gericht. Kortingen blijven anders tot de verkiezingen in 2025 boven de markt hangen en dat kan funest zijn voor het nieuwe stelsel. Waarom zo moeilijk als het gemakkelijk kan. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Minister: wat is hierop uw antwoord?

Ik wacht de beantwoording van de minister met grote belangstelling af!”

© 12 januari 2021