Beantwoording vraag inzake drinkwaterverbruik als basis voor de zuiveringsheffing

Onderwerp
Beantwoording vraag inzake drinkwaterverbruik als basis voor de zuiveringsheffing

Voorstel
Onderstaand conceptvoorstel aan het algemeen bestuur voor kennisgeving aannemen.

Conceptvoorstel
De beantwoording van de vraag voor kennisgeving aannemen.

Toelichting
In de vergadering van het algemeen bestuur van 10 juli 2019 is de vraag gesteld of drinkwaterverbruik als basis kan dienen voor de zuiveringsheffing, zoals dat in België al het geval is. Door het dagelijks bestuur is toegezegd dat dit zal worden bekeken.

Antwoord
Situatie België

België/Vlaanderen kent een andere structuur voor waterbeheer. Drinkwatervoorziening in

Vlaanderen is een gemeentelijke opdracht. Om een betere dienstverlening te kunnen leveren werken de meeste gemeenten samen met intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, intercommunales of VMW (die hier ‘de waterbedrijven’ worden genoemd). Feitelijk is dit vergelijkbaar met de situatie waaruit van oudsher Waterleiding Maatschappij Limburg is voortgekomen.

Sinds 2005 is zowel de gemeentelijke als de bovengemeentelijke zuiveringsplicht van water bij de waterbedrijven gelegd door de Vlaamse regering. Zij zijn hierdoor waterketenbedrijven geworden. De waterbedrijven kunnen aan deze verplichting voldoen door het sluiten van een overeenkomst met een derde waarin verduidelijkt wordt wie welke taken uitvoert en hoe de financiering verloopt. Ten behoeve van de bovengemeentelijke saneringsplicht hebben de waterbedrijven collectief een overeenkomst met Aquafin afgesloten. Deze overeenkomst houdt in dat de waterbedrijven instaan voor de kosten die Aquafin in kader van de bovengemeentelijke afvalwatersanering maakt. Waar welke infrastructuur gebouwd wordt, wordt evenwel bepaald door het Vlaams Gewest. De uitvoering en het beheer van de infrastructuur is ook de verantwoordelijkheid van Aquafin.

Het grote verschil met Nederland waardoor in België wel via de waterrekening de kosten voor transport en zuivering worden geheven, heeft te maken met deze structuur. België, Vlaanderen, kent geen waterschappen zoals dat in Nederland het geval is. De Belgische 'waterschappen' zijn veelal zeer lokaal bezig en hebben toezicht en uitvoering op beekjes en grachten. Zij 'missen' dus een waterschap zoals wij dat kennen om de zuiveringslasten te kunnen innen.

De kostprijs van de (boven)gemeentelijke afvalwatersanering wordt via de integrale waterfactuur aan de klanten van de waterbedrijven doorgerekend.

Geconcludeerd kan worden dat de inning via de waterbedrijven een gevolg is van de Belgische structuur. Er ligt geen stimulering onder voor de beperking van het afvalwater en er is geen directe koppeling tussen de hoeveelheid waterverbruik en de zuiveringsheffing.

Voor de volledigheid: de watersysteemtaak ligt in België bij gemeenten of soms provincies. Er is geen met Nederland vergelijkbare watersysteemheffing.

Vertaling naar Waterschap Limburg

Heffing op basis van waterverbruik voor de zuiveringsheffing is al sinds 2001 bij wet mogelijk (artikel 122h, lid 2 t/m 4 Waterschapswet) en tevens in de modelverordening zuiveringsheffing van de Unie van Waterschappen opgenomen. Waterschappen kunnen de heffing desgewenst dus al op waterverbruik baseren.

Tot nog toe maakt geen van de waterschappen hier gebruik van. Wel zijn er al gemeenten die het drinkwaterverbruik gebruiken als basis voor hun rioolheffing, waaronder de gemeente Venraij.

Koppeling van de zuiveringsheffing aan het drinkwaterverbruik heeft mogelijk een aantal knelpunten tot gevolg in het geval van Waterschap Limburg:

  1. Op dit moment zijn de heffingen van Waterschap Limburg volledig gebaseerd op de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie via BsGW. Koppelen van de zuiveringsheffing aan het drinkwaterverbruik zou betekenen dat dit voor de watersysteemheffing het geval blijft, maar dat voor de zuiveringsheffing een koppeling met de administratie van WML moet worden gemaakt. Het gebruik van twee basisadministraties ten behoeve van onze heffingen heeft een opdrijvend effect op onze transactiekosten hebben en daarmee op onze begroting;
  2. Niet ieder huishouden beschikt over een individuele watermeter waarop de zuiveringsheffing gebaseerd kan worden, danwel een geijkte meter waar WML beheerder van is. Dat bemoeilijkt het vormgeven van de heffingsbasis. Daarnaast vinden meteropnames gespreid over het jaar plaats. Dat bemoeilijkt het vaststellen van een vast ijkpunt voor de zuiveringsheffing.

Een eerste doorrekening laat zien dat een gezin dat 10% drinkwater weet te besparen globaal een verlaging van de aanslag zuiveringsheffing met € 1,- per maand tegemoet kan zien. Het is op dit moment niet in te schatten of dat voor veel gezinnen zal leiden tot een grotere drang om het waterverbruik te verminderen of dat de minderkosten “wegvallen” in het geheel van de door BsGW geheven belastingen.

Daar staat uiteraard wel tegenover dat maatschappelijk, ook met het oog op de klimaatverandering, iedereen er belang bij heeft om zowel het drinkwaterverbruik als de productie van afvalwater te beperken. En uiteindelijk is een groot deel van het water in de waterzuiveringen nog steeds drinkwater. De huidige discussie in de maatschappij over onze waterschaarste en klimaatproblematiek kan op termijn leiden tot een nieuwe bewustwording die wel degelijk leidt tot inzicht in het belang van het besparen op water. Een geldelijke stimulans, ook al is deze beperkt, kan dan wel degelijk effect hebben. Vraag is echter wanneer dat moment komt.

Geconcludeerd kan worden dat er een wezenlijk verschil is tussen de Nederlandse en Belgische situatie en dat er geen direct verband is tussen het stimuleren van het beperken van het drinkwaterverbruik in België en de zuiveringsheffing aldaar.

Overschakelen op drinkwater als heffingsbasis brengt op dit moment een aantal praktische problemen en hogere kosten met zich mee. Het is wel van belang om de maatschappelijke ontwikkeling te blijven volgen omdat op termijn mogelijk wel een situatie ontstaat die een overgang rechtvaardigt.

Het dagelijks bestuur,                                                         

              

de secretaris-directeur,                                                      de dijkgraaf,

              

  1. E.J.M. Keulers MMO drs. ing. P.F.C.W. van der Broeck