Vandaag: Pensioendebat in de Eerste Kamer

25 november 2025

Senator van Rooijen wil voortaan de echte cijfers

Miljardenverliezen van pensioenfondsen en dreigende kortingen op de uitkeringen 

‘De huidige situatie van de Nederlandse pensioenfondsen is ronduit dramatisch. Dat is het gevolg van de poging van De Nederlandsche Bank, de overheid en de pensioenfondsen om de deelnemers aan de pensioenfondsen bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel zo fraai mogelijke cijfers te tonen. De werkelijke oogst is een verlies van ruim 200 miljard op de pensioenvermogens sinds 2021 en dreigende kortingen op de pensioenuitkeringen.’ Dat betoogde senator Martin van Rooijen dinsdag in het debat met minister Paul van Sociale Zaken over de nieuwe pensioenwet. Hij wil dat het kabinet voortaan elk kwartaal inzicht biedt in de vermogensontwikkeling van de pensioenfondsen en hun feitelijk rendement.       

De Nederlandse pensioenfondsen hebben de afgelopen 5 jaar gemiddeld een rendement gehaald van slechts 1,01%, terwijl de AEX, de graadmeter van de Amsterdamse Effectenbeurs, steeg met gemiddeld 10,5% per jaar. De pensioenfondsen kozen ervoor – onder de druk van De Nederlandsche Bank en minister Koolmees van Sociale Zaken – vooral te beleggen in obligaties. Een portefeuille met 60% aandelen en 40% obligaties zou gemiddeld 7,8% hebben behaald.

 Angst voor lage dekkingsgraad

De enorme verschuiving van aandelen naar obligaties had niet op een slechter moment kunnen gebeuren. Winstgevende aandelen zijn verkocht om verlieslatende obligaties te kopen’, betoogde Van Rooijen. ‘Uit angst dat bij de overgang naar het nieuwe stelsel de dekkingsraden onder 100% zouden dalen, zijn de pensioenfondsen daarnaast ook nog eens hun risico gaan afdekken met honderden miljarden euro’s aan rentederivaten.’ De pensioenfondsen hebben de laatste jaren alleen al daarop ruim 90 miljard euro verloren, liet minister Paul van Sociale Zaken eerder weten op vragen van Van Rooijen.

 200 miljard euro verloren

Begin 2021 bezaten de gezamenlijke pensioenfondsen nog 1815 miljard euro. Halverwege 2025 is dat vermogen gedaald tot 1602 miljard euro. ‘Er is ruim 200 miljard verloren, verloren en nog eens verloren’, aldus Van Rooijen.

De enorme tegenvallers konden volgens Van Rooijen doorgaan omdat de pensioenfondsen schermen met hun hoge dekkingsgraden. ‘Ook de eerste helft van dit jaar is de boekhoudkundige dekkingsgraad gestegen ondanks een verlies van 85 miljard euro. Dat danken we aan de wijze waarop de pensioenverplichtingen worden berekend. Maar die pensioenen moeten wel uit de steeds legere pensioenpotten komen en als dat niet kan, worden de pensioenen gekort.’

Kleren van de keizer

Van Rooijen vergeleek de fraaie dekkingsgraden met de prachtige kleren van de keizer, die alleen slimme mensen zouden kunnen zien en domme mensen niet, waardoor iedereen blijft zwijgen tot een nuchtere jongen tenslotte opmerkt dat de koning gewoon in zijn onderbroek loopt.

‘We kunnen niet blijven kijken naar de optocht van financiële tegenvallers, zonder er iets aan te doen. We moeten ervan op de hoogte blijven hoe de pensioenfondsen met onze enorme vermogens omgaan. Ook in het nieuwe pensioenstelsel blijft gelden, dat de uitkomst voor iedere pensioendeelnemer afhankelijk is van de ingelegde premie en het rendement dat op die premie wordt gemaakt. In de pensioensector wordt ruwweg gerekend dat de uitkomst van het pensioen voor 20% wordt bepaald door de ingelegde premie en voor 80% door het behaalde rendement daarop. Dus we hebben bij de spectaculaire daling van het totale pensioenvermogen alle reden om ons ernstig zorgen te maken en te vrezen voor kortingen op de uitkeringen.’

Moties

Van Rooijen diende twee moties. De eerste motie vraagt het kabinet het parlement voortaan elk kwartaal inzicht te geven in de vermogensontwikkeling van de Nederlandse pensioenfondsen. De tweede motie vraagt het kabinet er voor te zorgen dat de pensioenfondsen die al zijn overgegaan naar het nieuwe pensioenstelsel hun deelnemers informeren over de wijze waarop hun pensioenaanspraken zijn omgezet naar pensioenvermogen (‘het pensioenpotje’) en blijven informeren over het feitelijk rendement dat zij sinds de transitie hebben gemaakt. Van Rooijen: ‘We willen harde cijfers, die voor deelnemers inzichtelijk maken hoe hun pensioen ervoor staat. Alleen dat schept vertrouwen.’

Nieuw offensief pensioenen

Fractieleider van Rooijen van 50PLUS trok in het debat samen op met pensioenwoordvoerder Van Wijk van de BBB-fractie. ‘Wij werken op deze manier samen aan een nieuw offensief voor pensioenen. Er is momenteel te veel onzekerheid over pensioen, AOW, zorg en wonen. De oude dag gaat komende tijd een groot issues worden in de politiek en in de hele samenleving.’

_______________________________________________________________________________________

 

VOLLEDIGE INBRENG MARTIN VAN ROOIJEN IN DE EERSTE KAMER

 

Voorzitter, graag wil ik allereerst opmerken dat de fractie van 50PLUS samen optrekt met de fractie van BBB in dit debat. De woordvoerder Mevr. Van Wijk van de BBB fractie zal een aantal onderwerpen behandelen, waarbij mijn fractie zich zal aansluiten. Wij werken samen aan een nieuw offensief. Voor Pensioen, AOW, Zorg en Wonen. De oude dag komt hoog op de agenda van politiek en samenleving!

Voorzitter, alvorens ik inga op de onderhavige voorstellen, wil ik eerst met u kijken naar de actuele pensioensituatie van vandaag. En dat doe ik niet zomaar. Want de situatie van de Nederlandse pensioenfondsen is regelrecht belabberd te noemen. En dan is belabberd nog vriendelijk uitgedrukt, want eigenlijk is de situatie ronduit dramatisch.

Op 5 september jongstleden publiceerde het Financiële Dagblad een artikel over het verdienvermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Een belangrijk artikel omdat uiteindelijk ons pensioen een spaarproduct is, waarvan de uitkomst afhankelijk is van 2 factoren: de hoogte van de pensioenpremie en het rendement wat op de ingelegde pensioenpremies wordt gemaakt.

Dit stond ooit heel helder in een gezamenlijk stuk van werkgevers- en werknemersorganisaties: meer dan premies en rendement is er niet. Of u van een goed pensioen gaat genieten, hangt af of u voldoende heeft ingelegd en of uw pensioenfonds over uw inleg voldoende rendement heeft behaald. In de pensioensector wordt ruwweg gerekend dat de uitkomst van uw pensioen voor 20% wordt bepaald door de hoogte van de ingelegde premie en voor 80% door het behaalde rendement.

Wat stond er in het artikel van het Financiële Dagblad? In dat artikel stond dat de afgelopen 5 jaar, dat wil zeggen in de periode tussen 2020 en 2024 de Nederlandse pensioenfondsen een rendement hebben gehaald van 1,01 procent! Een rendement van 1,01 procent! Een van de beleggingsdeskundigen die ik over deze uitkosten om een reactie vroeg, vertelde me dat, gelet op de zeer gunstige marktomstandigheden van de afgelopen 5 jaar, je echt je best hebt moeten doen om zulke slechte resultaten te boeken. En als je kijkt naar de records op de financiële markten van de afgelopen 5 jaar, kun je niet anders doen dan deze man gelijk geven.

Waarom? Volgens het Financiële dagblad steeg over de periode tussen 2020 en 2024 de AEX index met maar liefst 10,3% gemiddeld per jaar. We klagen wel eens dat de Nederlandse pensioenfondsen te weinig in Nederland beleggen, en inderdaad, hadden ze het maar gedaan. Simpelweg de Amsterdamse beursindex volgen en de uitkomsten waren veel en veel beter geweest. Nu zult u uiteraard zeggen dat dit niet eerlijk is, want pensioenfondsen kunnen onmogelijk alles in aandelen beleggen. Dat is waar, maar het geeft wel een beeld hoe enorm het verschil is. Had men maar een klein beetje de index gevolgd, dan had het er al veel beter uitgezien.

Maar het Financiële Dagblad heeft dit punt ook netjes ondervangen en voor de afgelopen 5 jaar het rendement berekend van een fictieve beleggingsportefeuille met 60% aandelen en 40% obligaties. Voor de aandelen zijn ze uitgegaan van de bekende MSCI World-index en bij de obligaties hebben ze de Bloomberg Euro Aggregate Bond-index gevolgd.

Als je deze portefeuille had aangehouden, dan hadden de pensioenfondsen de afgelopen 5 jaar een jaarlijks rendement van gemiddeld 7,8% per jaar behaald. Dat is een resultaat waar de feitelijke prestaties van de Nederlandse pensioenfondsen, zo schrijven de auteurs, bij in het niet vallen. En zo is het precies.

Verzin ik dit allemaal? Nee voorzitter, ik citeer hier letterlijk uit de tekst van het artikel uit het gezaghebbende Financieel dagblad. Maar eerlijk gezegd had ik nog tal van andere artikelen in diverse vakbladen kunnen citeren. Allemaal artikelen vol met dezelfde bijzonder kritische noten en uitgebreide berekeningen over de bijzonder slechte resultaten van de Nederlandse pensioenfondsen.

Hoe komt dit nu? Is er een storm over Nederland getrokken waardoor iedereen de kluts kwijt is geraakt. Zijn alle beleggingsmodellen op tilt geslagen? Heeft men simpelweg zitten slapen en de internationale ontwikkelingen compleet gemist? Helaas Voorzitter, niets van dit al. Dit is simpelweg het resultaat van het huidige beleid inzake onze pensioenen en helaas vermoedelijk ook van het komende pensioenstelsel.

Om de dekkingsgraden te beschermen tegen mogelijk dalende rentes, waardoor de boekhoudkundige waardering van de pensioenverplichtingen oploopt, zijn de Nederlandse pensioenfondsen de afgelopen jaren vol het renterisico gaan afdekken.

Uit angst dat hun dekkingsgraad onder 100 procent zou uitkomen op het moment dat de transitie naar het nieuwe stelsel zou plaatsvinden. En dat men dan op, het moment van invaren zou moeten korten, in plaats van een verhoging uit te kunnen delen om duidelijk te maken hoe goed het nieuwe pensioenstelsel voor de deelnemers zou uitpakken.

Zelfs bij rentepercentages die nog nauwelijks boven nul lagen, zijn de Nederlandse pensioenfondsen volop in obligaties en in rentederivaten gaan beleggen. Omdat de waarde van obligaties toeneemt bij dalende rentes, is men deze obligaties gaan kopen op de absolute top van de markt. Voor vele honderden miljarden zijn onze pensioenfondsen obligaties gaan aanschaffen tegen torenhoge prijzen.

Blijkbaar dacht men dat de rente naar min 5 procent zou kunnen dalen en uit angst is men zelfs bij deze extreem lage rentes en dus exceptioneel hoge obligatiekoersen, volop obligaties en rentederivaten gaan kopen.

Deze enorme verschuiving van aandelen naar obligaties had niet op een slechter moment kunnen gebeuren. Winstgevende aandelen zijn verkocht om verlieslatende obligaties te kopen. En dan gaat het hard. Zeker als je er bovenop nog eens voor honderden miljarden euro’s aan rentederivaten bij koopt. Uit antwoorden van minister Paul op de schriftelijke vragen van 50PLUS, die we onlangs mochten ontvangen, waarvoor dank, blijkt dat tot halverwege dit jaar de pensioenfondsen ruim 90 miljard euro op rentederivaten hebben verloren.

Een bedrag van 90 miljard euro is in harde cash uitbetaald aan partijen die zich graag tegen stijgende rentes wilden indekken. Denkt u maar eens aan Europese landen met grote schulden. Schulden waarvan de oplopende rentelasten deels worden betaald door deelnemers van de Nederlandse pensioenfondsen!

Kan het nog slechter? Ja, Voorzitter, het kan nog slechter.  Uit de cijfers van DNB blijkt dat de gezamenlijke vermogens van de pensioenfondsen de eerste helft van dit jaar zijn gedaald van 1687 miljard euro naar 1602 miljard euro. Na alle tegenvallers komt er nog eens 85 miljard, ofwel 5% aan verlies overheen. Als je de som van het Financieele Dagblad over zou doen, kom je uit op een gemiddeld rendement over de afgelopen 5.5 jaar van 0,5%! En rendement dat nauwelijks boven de nul uitkomt terwijl de beurzen wereldwijd record na record breken.

Deze enorme tegenvallers kunnen blijkbaar ongestoord doorgaan. Om de een of andere reden interesseert het niemand hoe ons enorme  pensioenvermogen daadwerkelijk wordt beheerd. De politiek laat niets van zich horen en de pensioenfondsen zijn heel tevreden want de dekkingsgraad stijgt toch maar mooi. Ook de eerste helft van dit jaar is de dekkingsgraad gestegen. Ondanks alle verliezen.

Hoe kan het dat de dekkingsgraad is gestegen? Omdat de boekhoudkundige waardering van de pensioenverplichtingen door de oplopende rente nog harder is gedaald. We hebben nu de omgekeerde wereld van zo’n 5 jaar geleden. Toen de rendementen van de pensioenfondsen door het dak gingen, maar de waardering van de pensioenverplichtingen fors toenam door de dalende rente.

Door deze ontwikkelingen daalden de dekkingsgraden en dat gaf het kabinet en DNB alle aanleiding om te verklaren dat het stelsel failliet en onhoudbaar was en er broodnodig een ander stelsel moest komen.

Terwijl qua vermogen de pensioenfondsen er toen bijzonder goed voorstonden. Begin 2021 bezaten de pensioenfondsen nog 1815 miljard euro. Halverwege dit jaar was dat dus 1602 miljard euro. Ruim 200 miljard euro in 4,5  jaar verloren, verloren en nog eens verloren.

Maar tegenover deze verliezen staan de lagere pensioenverplichtingen. Althans dat geldt zo volgens de boekhoudkundige regels van ons huidige pensioensysteem. Allemaal alleen op papier, want de pensioenverplichtingen blijven uiteraard ongewijzigd, je mag ze alleen voor lagere bedragen in de boeken zetten.

De oplopende dekkingsgraad is dan ook de resultante van concrete, echte verliezen op pensioenvermogens die worden goedgemaakt door kunstmatige, boekhoudkundige afwaarderingen van de pensioenverplichtingen.

Maar omdat deze verplichtingen uiteraard blijven bestaan, moeten de verplichtingen ieder jaar weer worden opgewaardeerd met dezelfde rentepercentages waarmee ze zijn afgewaardeerd. Oprenten heet dat in het actuariële jargon. Dat betekent dat je ieder jaar het eertijds gehanteerde rentepercentage moet aftrekken van het gemaakte rendement.

Maar dat gaat dus niet meer lukken. Momenteel werken onze pensioenfondsen conform de regels van het Financieel Toetsingskader met een rekenrente van bijna 3% terwijl er gemiddeld een rendement wordt geboekt van nauwelijks een half procent. Wie van dat halve procent een oprenting van 3 procent wil aftrekken, komt jaarlijks 2,5 procent tekort. Een tekort dat afgeboekt zal moeten worden van het pensioenen van de deelnemers. Die gaan de rekening betalen. Dat is geen mening, Voorzitter, maar simpel actuarieel rekenen.

De kans dat dit gaat gebeuren is groot, want de inflatie is niet onder controle en ook in de Verenigde Staten gaat men pas op de plaats maken met renteverlagingen. Dat betekent dat we moeten vrezen dat deze bizarre situatie alleen maar verder door zal gaan.

Verdere verliezen, maar steeds betere dekkingsgraden omdat bij stijgende rentes de boekhoudkundige waardering van de pensioenverplichtingen almaar daalt.

Dit alles hebben we te danken aan de wijze waarop onze pensioenverplichtingen worden berekend. Op basis van de marktrente voorgeschreven door het Financieel Toetsingskader, de onbetwistbare Bijbel van achtereenvolgende kabinetten en vooral de deskundigen van DNB. Gesteund door allerlei mensen die eigenlijk ook niet precies snappen hoe het werkt en braaf achter de deskundigen aanlopen. En de enorme verliezen maar voor lief nemen. Want die worden toch wel via lagere pensioenverplichtingen gecompenseerd.

Voorzitter, ik moet bij deze discussie vaak denken aan het sprookje van Hans Andersen over de Nieuwe kleren van de Keizer. De keizer die zich zorgen maakt over zijn huidige garderobe en iets heel nieuws wil. Twee kleermakers melden zich en weven voor de Keizer zogenaamd een heel nieuw gewaad. Een gewaad dat volgens de kleermakers ongelooflijk mooi is, maar vertellen de beide heren, alleen door heel slimme mensen kan worden gezien. Alleen zij kunnen het gewaad zien, domme mensen kunnen het helaas niet zien.

Ondanks het feit dat er helemaal geen gewaad is, roemen alle hovelingen de uitkomst. Want wie zou er immers voor dom willen doorgaan. Ook de Keizer die alleen maar zijn onderbroek ziet, durft het niet te bekennen en doet van harte mee. Hij gaat zelfs een grote rijtoer maken om zijn nieuwe gewaad aan het volk te tonen, totdat een klein jongetje, niet gehinderd door het hele verhaal, roept dat de Keizer geen kleren aanheeft en de rest is bekend.

Met ons pensioenstelsel is het precies zo. Terwijl de verliezen zich opstapelen, stijgt de dekkingsgraad. Hoe dat kan, snappen alleen heel slimme mensen die het werk van de kleermakers Knot en Koolmees kunnen doorgronden. Iedereen is tevreden met de gang van zaken, niemand durft tegen de deskundigen in te gaan en de actuele cijfers doen er niet toe.

Want wie het prachtige dekkingsgraad gewaad niet ziet, is eigenlijk reuze dom en snapt niets van de zegeningen van ons pensioenstelsel. Het is eigenlijk een schande dat een 83-jarige senator hier u moet uitleggen dat de pensioenkleren er feitelijk buitengewoon slecht uitzien en dat iedereen die constateert dat het niet goed gaat met onze pensioenen, niet dom is, maar gewoon ziet wat er in de alledaagse praktijk gebeurt.

Maar zal men dan zeggen, dat nieuwe pensioenstelsel dat ondervangt toch al deze klachten? Daar vervalt die FTK systematiek toch? Daar zal alles toch veel beter gaan? Duizenden pagina’s had het kabinet-Rutte nodig om de zegeningen van het nieuwe pensioenstelsel uit te leggen. En ja, wie het nu niet snapte, dat dit echt veel beter was, ja, die was toch wel ‘een beetje dom!’

Dat Nederland het enige land ter wereld is dat zijn bestaande pensioenvermogens overhevelt naar een nieuw pensioenstelsel is niet exceptioneel en zeer risicovol, nee, het is juist enorm slim! Met dit prachtige pensioenstelsel zou iedereen in de wereld ons weer vol bewondering aankijken. Dat we nauwelijks meer enig rendement maken, is eigenlijk een domme opmerking, die aantoont dat dergelijke critici de zegeningen van het nieuwe stelsel niet goed snappen.

Voorzitter, laat ik dan nog maar eens een enorm domme berekening maken. Als u pensioenverplichtingen in het nieuwe pensioenstelsel omzet naar pensioenvermogen, want dat moet u doen met invaren, dan zult u moeten bepalen welk vermogen correspondeert met de pensioenverplichtingen die u overhevelt.

Om dat te kunnen bepalen zult u weer met een rekenrente moeten werken. Vermoedelijk zal dat de huidige rekenrente van zo’n 3% zijn. Dus de gepensioneerde die wordt overgeheveld ontvangt een vermogen waarmee het pensioenfonds denkt de toekomstige pensioenverplichting te kunnen betalen.

Maar, Voorzitter, dan moet je wel met dat vermogen 3% kunnen maken. En als we doorgaan op de huidige weg dan maken de pensioen fondsen, met de huidige renteafdekking, de rendement absoluut niet. En als je dat rendement niet maakt, kun je dus ook niet aan de verplichtingen voldoen en kun je uiteindelijk alleen maar de pensioenen korten.

En dan heb ik het alleen nog maar over de nominale verplichtingen. Als je een prijsstijging van zo’n 2% per jaar wil compenseren, en dan zit ik nog ruim beneden de huidige inflatie, dan moet je 5% rendement maken. En als je ook nog wat aan de kosten van een mogelijk stijgende levensverwachting wil doen, dan zit je al snel op 6% noodzakelijk rendement.

In het nieuwe stelsel zullen de obligaties en de rentederivaten in grote getale worden opgenomen in de zogenaamde beschermingsportefeuilles. Ook zo’n prachtig gewaad van de heren Knot en Koolmees waarvan niemand snapt hoe het werkt. Maar waarvan al duidelijk is dat het zeker geen bescherming tegen inflatie zal bieden en vermoedelijk, door de slecht ingekochte obligaties en rentederivaten, ook geen nominale bescherming zal geven.

Ik kan nu al voorspellen, Voorzitter, dat er snel pensioenkortingen aan zullen komen. Wie zulke slechte beleggingsresultaten boekt, gaat deze strijd niet winnen.

Tel daarbij op dat het nieuwe pensioenstelsel geen kostprijspremie kent, zodat niets een verdere daling van de pensioenpremies in de weg staat. Die zullen er vermoedelijk ook gaan komen. Lage premies en lage rendementen gaan slechte uitkomsten geven, ook in het nieuwe stelsel. Dat zal door blijven gaan tenzij we ons stelsel echt anders gaan inrichten. Wie echt denkt dat met dit beleggingsbeleid we goede pensioenen gaan afleveren, ziet kleren die er niet zijn.

De harde financiële cijfers laten dan ook zien dat de kans niet erg groot is dat dit pensioensprookje gaat eindigen met de befaamde frase: en toen leefden ze nog lang en gelukkig. Ik hoop uiteraard dat alle deelnemers nog lang zullen leven, maar financieel zal vermoedelijk dat niet erg gelukkig zijn. Daarvoor zien de gewaden van ons pensioenstelsel er veel te slecht uit. Ondanks de mooie beloftes van de kleermakers Knot en Koolmees. Dat is de harde realiteit waarmee in de toekomst de pensioendeelnemers zullen worden geconfronteerd. Dat is de bittere werkelijkheid voor miljoenen gepensioneerden.

Voorzitter, kan de minister de genoemde belabberde resultaten van Nederlandse pensioenfondsen in vergelijking met wereldwijde benchmarks in de afgelopen 5 jaar beamen?

Voorzitter, tot zover de internationale afgang van de Nederlandse pensioenfondsen.

Ik kom nu op het wetsvoorstel zelf. Ik dank de minister voor de antwoorden die zij op de schriftelijke vragen van diverse fracties, waaronder de fractie van 50PLUS, heeft gegeven. Ik moet wel zeggen dat een aantal antwoorden niet bevredigend zijn. Ik wil naar aanleiding van de antwoorden nog een paar opmerkingen maken en nog enkele vragen stellen.

Ik betreur het dat de minister op een aantal vragen geen inhoudelijk reactie geeft maar zich verschuilt achter het argument dat het onderwerp niet aan de orde is of is afgedaan. De desbetreffende vragen waren juist gesteld om het oordeel van deze minister (die nieuw is in het Wtp-dossier) te vernemen, niet om een (inhoudelijke) discussie uit het verleden te hervatten. Ik verzoek de minister toch een inhoudelijke reactie te geven.

De minister geeft aan dat er geen voorstellen van de regering zullen komen om het rechtsbeschermingsniveau in de Wtp te herstellen. Mijn reactie hierop is tweeërlei. Allereerst erkent de minister door het gebruik van het woord “herstellen” dat het rechtsbeschermingsniveau in de Wtp geweld is aangedaan. En daarnaast geeft zij m.i. ten onrechte aan dat de rechtsbescherming in de Wtp voldoende gewaarborgd is. Spreekt de minister zich hier zichzelf tegen? Enerzijds spreekt zij zelf over herstellen en anderzijds vind ze dat er voldoende waarborgen zijn. Graag een reactie.

De minister verwijst enerzijds naar de collectieve waarborgen, zoals de transparantieverplichtingen, het toezicht zoals dat is vormgegeven in het kader van de Wtp en de betrokkenheid van medezeggenschapsorganen, en anderzijds naar de individuele rechtsmiddelen, zoals een adequate klachten- en geschillenprocedure en de tijdelijke externe geschilleninstanties, namelijk het GIP en KiFid, en de mogelijkheid om naar de rechter te stappen. Wat men van deze waarborgen ook moge vinden, geen van deze geeft een belanghebbende de mogelijkheid om zelf ex ante invloed uit te oefenen met betrekking tot de ten aanzien van hem of haar en zijn of haar belangrijke pensioenrechten te maken keuzes en te nemen beslissingen. En ook niet om ex post een rechterlijke procedure te volgen waarbij men zou kunnen rekenen op een voldoende objectieve uitkomst met daarbij een uitkomst die praktisch nog zou kunnen leiden tot een vorm van herstel. De belanghebbende is tijdens de transitieperiode afhankelijk van externe instanties zoals pensioenbestuur, DNB en AFM, en daarnaast tijdens of na deze periode van geschillenprocedures die alleen kunnen leiden tot een oordeel achteraf, waarbij waarschijnlijk een belangenafweging zal plaatsvinden (GIP, KiFiD). Hierbij kan je erop rekenen dat bij de beoordeling en de uitspraken het algemene resultaat van het invaren leidend zal zijn. Dit zal dus in de procedures zwaarder wegen dan het individuele belang. En een toetsing achteraf door de burgerlijke rechter zal ook nog eens jaren vergen. Met de verwerping van het amendement Joseph komt er anders dan de minister denkt, geen einde aan het debat over verbetering van de  rechtsbescherming van de deelnemers en gepensioneerden. Hoe denkt de minister deze rechtsbescherming toch te waarborgen?

Wij blijven van mening verschillen over het al dan niet publiceren van het advies van de landsadvocaat. De minister blijft een beroep doen op artikel 68 van de Grondwet, en dan met name op de uitzonderingsclausule “belang van de staat”. Mijn fractie blijft ook een beroep doen op artikel 68 van de Grondwet, en stelt vast dat het belang van de staat niet tot een uitzondering op de inlichtingenplicht kan leiden. Immers publicatie van het advies is juist wel in het belang van de staat, omdat publicatie van de inhoud bijdraagt tot, zo niet van essentieel belang is voor, een goede en adequate wetgeving en voor het goed kunnen functioneren van de Staten-Generaal als (mede)wetgever.

Daarvoor is kennisneming van alle relevante informatie noodzakelijk. Dit belang gaat toch echt boven het belang van de processuele positie van de staat. Deze laatste komt immers in de procedures toch wel aan het licht. En wat betreft het adviesprivilege van de landsadvocaat: hierover kunnen met hem afspraken worden gemaakt, met name gelet op het zojuist genoemde wetgevingsbelang en de staatsrechtelijke positie van de Tweede en de Eerste Kamer. Ik denk dat de landsadvocaat deze belangen ook zal erkennen. Het advies zal door hem met name ook met het oog op het belang van goede wetgeving  zijn uitgebracht! Vind deze minister ook niet dat elke volksvertegenwoordiger recht heeft op gevraagde inlichtingen? Graag een duidelijk antwoord.

In haar antwoorden schrijft de minister dat de verlenging van de duur van het transitieproces niet behelst dat er extra werk op de sector afkomt, maar meer dat dit werk gespreid wordt. Mede tegen de achtergrond dat de pensioenuitvoerders verplicht zijn de uitvoeringskosten te beheersen, lijkt de minister te willen zeggen dat verlenging van het transitieproces niet zou leiden tot verhoging van de kosten. Zoals in de vraagstelling was aangegeven kunnen en zullen vele personen en organisaties juist langer hun kosten doorberekenen. Het gaat dus om veel meer dan spreiding van de werkzaamheden. Ze zullen meer werk verrichten. Mijn vraag aan de minister luidt: is het niet logisch dat wanneer een jaar langer aan de transitie wordt gewerkt de kosten wel zullen oplopen doordat degenen die de transitie voorbereiden extra tijd zullen krijgen en ook extra tijd zullen nemen om hun werkzaamheden te voltooien? Anders hadden zij deze werkzaamheden toch op tijd af kunnen hebben. En was er al helemaal geen reden om de werkzaamheden te spreiden. En was dit wetsvoorstel ook niet nodig geweest. Hoe kan de minister met drogen ogen beweren dat de kosten niet fors zullen oplopen. Graag op dit punt nog een reactie van de minister.

Het kan blijken dat de nu voorgestelde verlenging niet voldoende is  om de fondsen tijdig te laten invaren wegens de dreigende  piekbelasting  of om andere redenen. Wil de minister de toezegging doen dat indien een extra verlenging van de termijn voor de transitie noodzakelijk zou blijken zij tijdig bij AMVB een extra verlenging mogelijk maakt en  de eerste kamer zal informeren?

Ik herinner er aan dat de  pensioenwoordvoerder van CDA fractie mevrouw Oomen-Ruijters in het debat over de WTP in 2023 vroeg om een verlenging tot 2030. Wil de minister deze toezegging doen anders overweeg ik een motie.

Dan voorzitter nog enkele vragen, over de zogenaamde ‘koplopers’:

  1. Achmea Investment management was meerdere keren in het nieuws in de afgelopen maanden, ook in het Financieele Dagblad. Er blijkt veel nazorg nodig te zijn bij de koplopersfondsen. Daarover de volgende vragen aan de minister:
    1. Is die nazorg al afgerond
    2. Zijn de koplopers al klaar?
    3. Zou je het invaren voor andere fondsen niet moeten uitstellen tot de koplopers aantoonbaar door alle poortjes zijn gegaan?
    4. Waar bestond de ‘nazorg’ uit?
    5. Welke lessen kunnen we hieruit trekken?
  2. Hebben de eerste 3 koplopers nu eindelijk de afgesproken definitieve transitie communicatie ten uitvoer gebracht? Want dat was in augustus nog niet zo ver voor de drie koplopers terwijl dat toch binnen een halfjaar had moeten plaatsvinden?
  3. Mij bereiken signalen dat de praktijk helemaal niet verwacht dat 1 januari 2028 haalbaar is. Fondsen blijven de data voor het invaren ook maar vooruitschuiven. Kan de minister aangeven in hoeverre de datum (nog) haalbaar is?

Laten we het ook nog even over onze eigen pensioenen hebben. De pensioenen van politieke ambtsdragers:

  1. Wat is de stand van zaken van het wetsvoorstel voor het invaren van de pensioenen van politieke ambtsdragers?
  2. Waarom duurt indiening zo lang? Zijn er nog problemen en zoja welke.
  3. Voorzitter, 50PLUS wil graag de laatste schatting, van de kosten voor de overgang naar het nieuwe stelsel voor Provincies, Gemeenten en Waterschappen?

Dankuwel